Schriftlezing: Johannes 4,5-42
‘Ieder die van dit water drinkt, krijgt weer dorst, maar wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer; integendeel, het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een waterbron worden, opborrelend tot eeuwig leven.’
Op deze derde zondag van de veertigdagentijd verlaten we het evangelie van Matteüs om drie zondagen uit het evangelie volgens Johannes te lezen. Vandaag is dat Johannes 4,5-42: het gesprek van Jezus met de Samaritaanse vrouw. De tekst is helemaal eigen aan Johannes; er is geen enkele paralleltekst bij de andere drie evangelisten. In de Koptische versie van het Thomasevangelie is er wel een spreuk waarin Jezus zichzelf de bruisende bron noemt die je bedwelmt als je ervan drinkt (logion 13).
Het rooms-katholieke leesrooster laat vandaag een ingekorte versie toe, waarbij verzen worden weggelaten, en het oecumenisch leesrooster biedt de mogelijkheid al bij vers 26 te stoppen. Aan alle voorgangers, katholiek of protestant of anglicaans of wat dan ook, zou ik aanraden: lees de hele evangelietekst en maak de preek gewoon wat korter.
Op de zondagen van de veertigdagentijd zijn de plaatsen waar de evangelielezingen zich afspelen van grote betekenis. Twee weken geleden waren we in de woestijn, de vorige week op een berg en vandaag zijn we in de Samaritaanse stad Sichar, dichtbij Sichem, tegenwoordig Nablus, waar de Jakobsbron was. Die bron gaat terug op de aanwezigheid van Jakob op die plek toen hij terugkeerde van zijn reis naar zijn oom Laban, de broer van zijn moeder Rebekka. Jakob was verliefd geworden op Rachel, zijn nichtje, met wie hij trouwde, en hij bleef zeven jaar bij Laban, verwekte tien kinderen bij haar zus Lea en bij twee bijvrouwen, en ten slotte toch ook nog een zoon bij Rachel, Jozef (niet netjes allemaal). Toen hij terugkeerde naar huis vocht hij intussen bij de rivier de Jabbok nog een robbertje met God, kreeg een nieuwe naam, Israël, en een manke heup. Tja, en toen kwam hij bij Sichem, een stad die toen nog bij Kanaän hoorde, kocht er een stuk grond en richtte er een altaar op (Genesis 39,18-20).
Toen Jezus er passeerde, behoorde het gebied tot Samaria, de landstreek tussen Galilea (waar Jezus vandaan kwam) en Judea (waar Hij zou eindigen). De inwoners van Samaria hadden een andere religieuze traditie dan die van Judea. Voor hen was niet Jeruzalem de plek van de tempel waar God woonde, maar de berg Gerizim. De vrouw die Jezus ontmoet, verwijst ernaar: ‘Onze voorouders vereerden God op deze berg, en bij u zegt men dat in Jeruzalem de plek is waar God vereerd moet worden.’ De Jakobsbron lag dicht bij de voet van die berg. Dat maakt de plek van de evangelielezing van vandaag zo bijzonder. In de tijd van Jezus zouden Judeeërs Samaria zo veel mogelijk mijden en zij zouden Samaritanen niet aanspreken. Jezus trekt er wel doorheen en spreekt met de vrouw bij de put. Hij vraagt haar zelfs Hem iets te drinken te geven. De vrouw is verbaasd: ‘Hoe kunt u, die een Judeeër bent, van mij te drinken vragen? Ik ben immers een Samaritaanse.’ Johannes legt het dan uit voor zijn lezers: ‘Judeeërs gaan immers niet met Samaritanen om’ (οὐ γὰρ συνχρῶνται Ἰουδαῖοι Σαμαρίταις). Jezus trekt zich niets aan van dergelijke religieuze en culturele conventies: Hij is er voor iedereen. Bronnen waren de plekken waar vrouwen bij elkaar kwamen. Zij waren ook een plek voor amoureuze ontmoetingen: denk aan de ontmoeting van de knecht van Abraham met Rebekka, die de moeder van Jakob zou worden (Genesis 24).
Dat geeft aan deze ontmoeting van Jezus met de Samaritaanse vrouw die bij de bron water kwam putten wel een bijzonder tintje.
Maar voor Johannes is het vooral een beeld om Jezus uitgebreid aan het woord te laten over water dat er echt toe doet: het levende water dat Hij te bieden heeft, water dat nooit meer opnieuw dorstig maakt. Die uiteenzetting wordt voortgezet als de leerlingen terugkomen die naar de stad waren geweest om eten te kopen en zij tegen Jezus zeggen: ‘Rabbi, U moet iets eten.’ Dan antwoordt Jezus: ‘Ik heb voedsel dat jullie niet kennen. […] Mijn voedsel is: de wil doen van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk voltooien.’ Wie van dat water drinkt en van dat voedsel eet, dus wie de woorden en het voorbeeld van Jezus tot zich neemt, hoeft God niet meer op bergen of in tempels te zoeken. Die aanbidt God ‘in geest en waarheid’ (ἐν πνεύματι καὶ ἀληθείᾳ, vers 23 en 24).
Het verhaal over de ontmoeting van Jezus met de Samaritaanse vrouw, waar nog zoveel meer over te zeggen valt, wordt doorgaans niet gerekend tot de zes (volgens sommigen acht) ‘tekenen’ (σημεῖα) in het Johannesevangelie waarmee Jezus bekend maakt wie Hij is. Maar het effect is hetzelfde: mensen komen tot geloof.
‘In die stad kwamen veel Samaritanen tot geloof in Hem’, zegt de tekst (vers 39), en iets verder: ‘Nog veel meer mensen kwamen tot geloof door wat Hij zei’ (vers 41). Geloof (πίστις) is een sleutelwoord bij Johannes. Het komt 243 keer voor in het Nieuwe Testament, daarvan 91 keer als zelfstandig naamwoord en 152 keer als werkwoord. Johannes gebruikt het vijf keer zo vaak als de andere drie evangelisten (98 keer tegenover negentien keer bij Matteüs en twintig keer bij Marcus en Lucas), en alle keren in de werkwoordsvorm (een vervoeging dus van πιστεύω). Geloof is bij hem niet ‘een ding’, maar het is een gebeuren, een handeling of houding. Dat geloven is bij Johannes nooit propositioneel geloven, dus geloven dat iets zus of zo is, geloven in een bewering of propositie, iets geloven. Het is altijd relationeel geloven: iemand geloven, overtuigd zijn van iemand. Die overtuiging komt niet uit de mens zelf voort, zij is niet het resultaat van een rationele afweging. Geloof wordt door God gewekt. Het wordt opgeroepen door het spreken en handelen van God in Jezus. Geloven (πιστεύω) is afgeleid van het werkwoord πειθώ, overtuigen, iemands vertrouwen wekken.
Jezus wekt in het evangelie van vandaag het vertrouwen van de Samaritaanse vrouw en van vele anderen, Samaritaan of niet. Laten ook wij ons overtuigen?
Peter Nissen
Loslaten en groeien
Afbeelding: De Samaritaanse vrouw aan de put, Ravenna, wandmozaïek in de Sant’Apolinaire Nuovo, rond 520 na Chr., Foto: José Luiz Bernardes Ribeiro





