Woestijnwijsheid voor een gepolariseerde wereld
In een tijd waarin wantrouwen en polarisatie ons uit elkaar drijven, laat broeder Isaac Slater zien dat er een andere weg mogelijk is. Geïnspireerd door Jezus’ oproep om niet te oordelen, toont hij hoe deze houding een genezend antwoord kan zijn voor een wereld – en een kerk – die verdeeld raakt.
Slater verbindt de eeuwenoude spiritualiteit van de woestijnvaders met hedendaagse stemmen als Simone Weil, Dostojewski en paus Franciscus. Hij schetst een hoopvol beeld van een geloof dat bevrijdt in plaats van veroordeelt en laat zien hoe gebed, zelfkennis en vergeving ons opnieuw kunnen leren samenleven.
* een diepgaand, spiritueel antwoord op de groeiende polarisatie in kerk en samenleving
* een inspirerende herontdekking van Jezus’ oproep tot niet-oordelen
* van de woestijnvaders tot hedendaagse christelijke denkers
* een hoopvol perspectief op gemeenschap en verzoening
Broeder Isaac Slater (1974) werd geboren in Toronto (Canada) en studeerde klassieke literatuur voordat hij in 1999 intrad bij de cisterciënzers in de abdij van Genesee, in de staat New York. Hij schrijft op een toegankelijke en eigentijdse manier over spiritualiteit, met oog voor de vragen en uitdagingen van deze tijd.
Voorwoord bij de Nederlandse uitgave
Misschien geeft het een boost aan ons gevoel van eigenwaarde als we anderen kleineren en kritiek op hen uitoefenen, maar toch geeft het een onprettig gevoel om over anderen te oordelen. Je hoort mensen dikwijls zeggen: ‘Ik oordeel te snel’. Zij rekenen zich dat aan, maar tegelijk weten ze niet goed hoe ze daarin verandering kunnen aanbrengen.
Als ik dit boek opnieuw zou schrijven zou ik duidelijker willen stellen dat het de woestijnvaders er niet om ging om ons oordelend denken te verkleinen of uit te roeien, maar om de wortels ervan aan het licht te brengen en ons in ons handelen niet erdoor te laten beïnvloeden. Zoals een van hen zei: ‘We worden niet veroordeeld omdat we zondige gedachten hebben, maar alleen omdat we eraan toegeven.’ Wij zijn niet onze gedachten; wij vallen niet samen met de diepgewortelde conditionering die onze hoogste aspiraties om een goed mens te zijn wil bederven. Het grootste deel van wat we beschouwen als onze eigen “persoonlijkheid” is in feite een product van afkomst en vorming, een patroon dat ons vertrouwd is geworden en waarmee wij ons ten onrechte vereenzelvigen. De ‘passies’, zoals de woestijnvaders ze noemen, lijken weliswaar een gevoel van eigenwaarde te versterken, maar in werkelijkheid leiden ze alleen maar tot afbraak en depersonalisatie. We worden minder menselijk, minder uniek, in de mate waarin we hun marionetten worden.
Als de persoonlijke wens om minder oordelend te zijn een van de redenen is waarom het boek zoveel weerklank heeft gevonden, is de steeds grovere en gepolariseerde politieke context ongetwijfeld een andere. Ik heb een aantal brieven en berichten ontvangen van activisten en anderen die in de politiek werken, waarin ze hun bewondering voor dit boek uiten, maar zich afvragen hoe het in hun vakgebied van toepassing zou kunnen zijn, gezien de extreme omvang en ernst van het onrecht waartegen ze strijden. Misschien had ik er in het boek meer de nadruk op kunnen leggen dat de radicale niet-oordelende houding van de woestijnvaders geen vlucht is voor maatschappelijke verantwoordelijkheid, maar juist een manier om die verantwoordelijkheid in de praktijk te brengen. In de mate waarin we getriggerd worden door de provocaties van anderen en daarop reageren, worden we machteloos en handelen we minder effectief. Jezus’ oproep om ‘de andere wang toe te keren’, om ‘geen weerstand te bieden aan een kwaadwillende’, en de dringende raad om het kwaad met het goede te overwinnen, drukken ons op het hart om niet met gelijke munt terug te betalen, maar nodigen uit tot handelen vanuit een diepere ruimte van vrijheid. De Amerikaanse media zijn al jaren gevuld door het trieste schouwspel van diverse groepen en individuen die keer op keer ingaan op provocaties die uitlokken tot frustratie en woede, en daarbij zelden meer bereiken dan hun tegenstander in de krantenkoppen te houden. Maar, vragen velen zich af. hebben we geen verontwaardiging nodig om onrecht te bestrijden en verandering teweeg te brengen? Gezonde woede (of ijver voor rechtvaardigheid) kan ons ertoe aanzetten angst te overwinnen en actie te ondernemen om onrecht te corrigeren op dit moment. Maar ongegronde en impulsieve verontwaardiging leidt tot oppervlakkige, contraproductieve resultaten. Simone Weil zegt dat we ‘alleen die dingen moeten doen die we niet mogen nalaten te doen’ Wanneer we handelen vanuit zo’n diep moreel imperatief, wanneer we simpelweg niet anders kunnen, zullen we gemotiveerd zijn om onze inspanning vol te houden. We moeten handelen. Maar wanneer de opvattingen en waarden waar wij voor staan worden aangevallen en we reageren met de opzet om ons gevoel van eigenwaarde te behouden, dan raken we in de valkuil van “wij tegen hen”, waarbij we proberen iets fictiefs in stand te houden.
In de kloostertraditie begrijpen we nederigheid als oog te hebben voor wie we echt zijn, en te weigeren om ons gevoel van eigenwaarde kunstmatig op te blazen of te ondermijnen. Vaak, wanneer we ons aangevallen en onzeker voelen, projecteren we een vals zelfvertrouwen of een valse expertise, om vervolgens, wanneer we worden uitgedaagd, nog harder toe te slaan omdat we weten dat we op wankele grond staan. Of we internaliseren de ‘wij tegen hen’-mentaliteit en bekritiseren onszelf innerlijk, waarbij we een deel van onszelf versterken door een ander deel te kleineren. Een monnik is wel gezien als ‘iemand die bereid is geraakt te worden’: door verwondering, dankbaarheid, berouw of al deze emoties tegelijk. Onder wroeging (compunctio) verstaan we een doorboring van het hart waarbij de bubbel van een opgeblazen ego wordt doorgeprikt en we worden aangemoedigd om vanuit onze feitelijke beperkingen verder te gaan. Waarachtig berouw wordt gekenmerkt door deze tweeledige beweging: spijt en desillusie vallen samen met een diep gevoel van onvoorwaardelijk geliefd te zijn, precies zoals we zijn, in onze zwakheid. Juist omdat we niet hoeven te veranderen om geliefd te worden, willen we veranderen. We reageren op het onverdiende geschenk met dankbaarheid. Om zo’n vrije en onbaatzuchtige liefde te wekken heeft God zich- zelf ontledigd, zelfs tot de dood aan het kruis. We komen uit de ervaring van een oprechte bekering van het hart en voelen ons vollediger onszelf. Nu onze afgoden en sprookjes over onszelf zijn verdwenen, komen aspecten en mogelijkheden die in de schaduw verborgen lagen aan het licht en beginnen te bloeien. We hebben het gevoel dat we ‘op volle toeren draaien’; dat voelt tegelijkertijd nieuw en volkomen vertrouwd.
Een van de grootste gaven van het kloosterleven, vooral in een tijd van polarisatie, is de manier waarop het de ervaring van bekering het hart centraal stelt. Daarin deelt elke monnik en waarschijnlijk elke gast in een klooster, ondanks de grote verschillen in perspectief en achtergrond. Ieder mens kan voor God staan, kan zich voorstellen dat zijn broeder of zuster, hoe verschillend ook, voor God staat en bidt: ‘Keer U tot Mij en heb medelijden met Mij, want Ik ben eenzaam en arm’ (Ps. 70:6). De behoefte aan genade is onze gemeenschappelijke basis en maakt een vorm van gemeenschap mogelijk die een enorme diversiteit kan omarmen. Wanneer we bekering van het hart vooropstellen, zijn we ‘bereid om geraakt te worden’, open voor het lijden van anderen om ons heen, en merken we steeds vaker dat we wel móéten handelen om hun ellende te verlichten. Handelen vanuit empathie zal zowel effectiever als duurzamer blijken dan impulsieve initiatieven gebaseerd op onterechte verontwaardiging. Zoals een van de woestijnvaders zei: ‘Als je een hart hebt, kun je gered worden.’
Enkele jaren geleden kwam een vriend laat thuis in New York City De bars en nachtclubs gingen net dicht en mensen stroomden de metro in. Op het perron vlak bij mijn vriend begonnen twee jonge vrouwen, duidelijk dronken, te schelden en te schreeuwen en al vlug raakten zij slaags. De ene duwde de andere op de rails. In plaats van terug op het perron te springen, begon deze heen weer te lopen en te schreeuwen dat ze het leven zat was en dat ze allemaal naar de hel konden lopen. Een stem via de intercom kondigde aan dat de volgende trein over een minuut zou aankomen. In een griezelige eensgezindheid haalden omstanders hun mobiele telefoons tevoorschijn en begonnen te filmen. Toen de koplampen van de trein in de tunnel verschenen, baande mijn vriend zich snel een weg door de menigte, greep de vrouw bij haar jas en trok haar terug naar het perron, seconden voordat de trein met een daverend geluid de halte bereikte. Later, in de treinwagon, hoorde hij andere passagiers klagen over hoeveel views de video op YouTube zou hebben gekregen.
Tussen ons en het lijden van de ander plaatsen we een beschermend schild, een medium dat we naar onze hand kunnen zetten om aan al onze voorkeuren te voldoen, om de harde realiteit voor ons te verzachten. We worden een voyeur in plaats van een barmhartige Samaritaan. Het verslavende, hypnotiserende karakter van het digitale scherm biedt een geheel nieuw niveau van dissociatie van de werkelijkheid, dat vooral de onvermijdelijkheid van het lijden verhult …
Langdurig en aanhoudend contemplatief gebed, gebed gekenmerkt door stilte, wachten, aanwezigheid en het verdiepen van echte menselijke relaties, behoren tot de meest cruciale praktijken om het dwangmatig interactieve virtuele universum in evenwicht te brengen. Het ontwikkelen van een waardering voor het soort aandachtig luisteren dat essentieel is voor zowel gebed als vriendschap, kan de meer verraderlijke effecten van digitale vervreemding compenseren en het koortsachtige en primitieve moralisme verdrijven dat er zo vaak uit voortkomt.
Isaac Slater ocso
10 maart 2026





