Klooster! Archief: Gastvrijheid en haar diepste waarom

Maria van Mierlo over kloosterlijke spiritualiteit in het leven van alledag

Uit: Klooster! 3 (juni 2018)

Er bestaan nog struikrovers en bandieten als Benedictus zijn Regel voor Monniken schrijft. Het is dan ook allerminst logisch om in die tijd, rond het jaar 500, over de ontvangst van gasten na te denken; het ligt helemaal niet voor de hand om mensen van buiten, vreemden, zomaar binnen te laten. Het woord gastvrijheid – dat zoiets betekent als ‘een vriend/vriendelijk zijn voor vreemden’ – moet zelfs nog uitgevonden worden. En toch besteedt Benedictus uitgebreid aandacht aan de ontvangst van gasten. Allereerst op een vrij praktische manier, met instructies over begroeten, aan tafel noden en over portiers die de goede dingen zeggen. Maar daaronder ligt een eeuwenoud verhaal van het openen van je hart en God willen zien in de ander. Dit laatste is het meest interessante aspect van gastvrijheid bij Benedictus. Want waaróm hecht hij toch zo’n belang aan een goede ontvangst, aan het feit dat een gast mee-eet aan tafel en aan een portier die de juiste woorden spreekt? Naar dat waarom gaan we hier op zoek.

Dit is de bekende, veelgeciteerde opening van hoofdstuk 53 uit de Regel van Benedictus (RB):

Alle gasten die aankomen moeten worden ontvangen als Christus zelf, want Hij zal eens zeggen: ‘Ik kwam als gast en gij hebt Mij opgenomen.

‘Een zin als deze is het aandachtig overwegen waard. Het zijn woorden om makkelijk overheen te lezen, we veronderstellen dat we ze wel begrijpen. Lezen – en weer door. Maar als je wat beter kijkt, de tijd neemt en ook de context beschouwt, zie je pas wat er gebeurt. Het zijn eigenlijk twee zinnen. Zin 1 is het meest bekende stuk, hieraan laven we ons maar al te graag als kloosterbezoekers: ‘Alle gasten die aankomen moeten worden ontvangen als Christus zelf’. Maar zin 2 is er ook nog: ‘Eens zal Hij zeggen: Ik kwam als gast en gij hebt Mij opgenomen.’ Deze twee zinnen worden samengevoegd door het woordje want. Onthoud dit even.

Gasten in cijfers

In de RB komt het woord gast 23 keer voor. Ter vergelijking: in de Regel van Augustinus komt dit woord niet voor. Bovendien beslaat het betreffende hoofdstuk een flink stuk tekst, bestaande uit 24 verzen. Van de in totaal 73 hoofdstukken zijn er maar zes die langer zijn. Zelfs die over het aanstellen van de abt en over de prior zijn korter (elk 22 verzen) – en die zijn op hun beurt, opmerkelijk genoeg, even lang als het hoofdstuk over kleding en schoeisel. De andere hebben (veel) minder verzen, tot een minimum van twee voor het hoofdstuk over hoe de nachtgetijden op feesten van de heiligen gevierd worden. Kennelijk vond Benedictus de innerlijke houding van de monniken van veel groter belang dan hoe zij hun nachtgebeden vierden.

De hoofdstukken waar Benedictus méér verzen aan besteedt zijn: de werktuigen om goed te handelen (78 verzen), nederigheid (70 verzen), de hoedanigheden waarover de abt moet bezitten (40 verzen), de manier waarop broeders worden aangenomen (29 verzen), de volgorde waarin psalmen moeten worden gezongen (25 verzen) en de dagelijkse handenarbeid (25 verzen). Daarna komt gastvrijheid, op een riante zevende plaats.

Verbindende woorden

Kijkend naar de inhoud van deze zeven langste hoofdstukken, valt op dat ze gaan over hoe wij dienen te zijn, en wat ons te doen staat. De overige hoofdstukken gaan veelal meer over praktische zaken en algemene richtlijnen. Voordat we iets kunnen begrijpen van wat Benedictus over gastvrijheid zegt, moeten we het vizier iets wijder afstellen en ook kijken naar die andere zes belangrijke hoofdstukken. Het bijzondere is namelijk dat hierin steeds hetzelfde gebeurt: er wordt een direct verband gelegd tussen een manier van zijn of een taak enerzijds en een Godsbesef anderzijds. Enkele voorbeelden:

Hst 2: Over de hoedanigheden van de abt

Een abt die waardig is aan het hoofd te staan van een klooster, moet altijd bedenken, hoe men hem noemt, en de naam die hij als overste draagt, met daden waar maken. Hij blijkt immers de vertegenwoordiger van Christus te zijn in het klooster, want hij wordt met diens naam genoemd, volgens het woord van de Apostel: Gij heb een geest van kindschap ontvangen, die ons doet uitroepen: Abba, Vader!

Hst 4: Over de goede werktuigen

Dit zijn de werktuigen van het geestelijk ambacht. Als wij ze dag en nacht zonder ophouden hanteren en op de dag van het oordeel weer inleveren, (dan) zal de Heer ons het loon uitbetalen, dat Hijzelf beloofd heeft: ‘Geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben’.

Hst 48: Over de dagelijkse handenarbeid

Ledigheid is de vijand van de ziel; en daarom moeten de broeders op bepaalde tijden bezig zijn met handenarbeid en ook op bepaalde tijden met lezing van het Woord Gods.

Hst 58, Over het aannemen van nieuwelingen

… dan mag hem de intrede niet gemakkelijk gemaakt worden, maar men doet wat de Apostel zegt: ‘Beproef de geesten, of ze uit God zijn’.

Ook in RB 36 (een korter hoofdstuk) gebeurt iets soortgelijks: Vóór alles en boven alles moet men zorg dragen voor de zieken, zodat ze werkelijk gediend worden als Christus in eigen persoon, daar deze immers gezegd heeft: ‘Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht en wat gij aan de geringsten hebt gedaan, hebt gij aan Mij gedaan’. Want, immers, als-dan, daarom, daar. Dit zijn niet zomaar woorden die nodig zijn om zinnen op een grammaticale wijze met elkaar te verbinden. Het zijn woorden die alles zeggen over de intensiteit van wat Benedictus bedoelt. Een abt is vertegenwoordiger van Christus, want hij wordt met diens naam genoemd. Als we de goede dingen doen, dan worden we beloond. Ledigheid is maar niets, daarom moet je je bezig houden met Gods werk. Je neemt broeders niet zomaar aan, maar je doet wat de Apostel zegt: je beproeft eerst de geesten. De zieke moet verzorgd worden, daar Jezus zei: als je een zieke bezoekt, bezoek je Mij. En de gast moet als Christus onthaald worden, want er is gezegd: ‘Wat je aan een ander doet, doe je aan Mij’.

Christus in de ander herkennen

Een gast onthalen krijgt hier een betekenis waarvan we de diepte niet kunnen overschatten. Het gaat allereerst om gevolg geven aan die woorden van Jezus: ‘Wat je aan een ander doet, doe je aan Mij. Als de ander dus een gast is, dan komt alles wat je voor hem doet, direct ten goede aan Hem. En Hij heeft nu eenmaal gezegd dat je dit moet doen, dus doe dat nu maar. Dit is spiritueel gezien een eerste stap in het geestelijk leven: iets goeds doen uit angst voor straf wellicht: ‘Als ik die gast niet goed behandel, dan behandel ik Christus niet goed en ojee, dan zwaait er wat’. Een volgende stap is: iets goeds doen in de hoop beloond te worden: ‘Als ik die gast goed behandel, dan behandel ik Christus goed en dan kom ik vast in de hemel. Dat dit toch nog niet helemaal is wat Benedictus bedoelt, blijkt uit RB 53,7, waar staat dat men…

‘Door het hoofd te buigen (…) Christus in de gasten moet aanbidden, die men inderdaad ook in hen ontvangt.’

Hier zegt Benedictus letterlijk dat Christus aanwezig is in de mens die aangeklopt heeft. Het is dus niet de kloostergast zelf waarvoor gebogen wordt, de kloosterling buigt omdat de gast bewoond wordt door Christus en omdat Hij geëerd dient te worden. Dat brengt ons bij de derde stap in het geestelijk leven: het goede doen uit liefde voor God. En als je Hem ontmoet in een gast, dan doe je wat je het liefste doet: Hem eren. Christus bewoont de gast, zegt Benedictus. Ergo: kloosterlingen hebben mensen (gasten) nodig om in hen God eer te kunnen bewijzen.

Het ‘want’ uit de bovenaan dit artikel geciteerde zin (had je hem nog onthouden?) blijkt meerdere lagen te hebben. Ten eerste: eer die gast nu maar, want Christus zei dat je dat moest doen en dat je daarmee Hem zou eren. Ten tweede is er een onuitgesproken belofte: eer de gast, want je zult ernaar beloond worden. Ten derde: eer de gast, want Christus woont in hem. Ach… vandaar de gastenhuizen bij kloosters, waar de kamers vaak mooier zijn dan de cellen van de broeders of zusters. Vandaar dat we zo vaak terecht kunnen. Vandaar al de vriendelijke, aandachtige goedheid die we in kloosters ontvangen.

Wat is hierop ons antwoord?

Als gast ontvangen worden in een klooster schept ook verplichtingen. Er zijn mensen die zich zo thuis voelen in een klooster, dat ze er de ramen gaan lappen, met meubels gaan schuiven ‘omdat het zo beter staat’ en Ongevraagd schilderijtjes ophangen. Ik ken iemand die overwoog om ergens in treden, maar als postulant contact zocht met gasten, uit de doeken deed hoe het ‘binnen’ ging en dan zei: ‘We zullen de boel hier eens even lekker opschudden’. Of neem dat verhaal van een gast die kind aan huis was in ‘zijn’ klooster, steeds verder binnendrong en uiteindelijk zelfs op zondag, kort voor van de mis, opdook in de sacristie, om nog even wat onnozels te vragen. En niemand die er iets van durfde te zeggen. Het zijn dingen die in het licht van de eeuwigheid verbleken tot futiliteiten, maar die ongehoorde brutaliteiten zijn voor wie leeft in en vanuit de RB. Zulk gedrag overschrijdt onzichtbare grenzen.

Met andere woorden: gast zijn schept verplichtingen. Wie de ontvangst in een klooster waardeert, doet er goed aan zich af te vragen wat het nu is dat zo weldadig voelt. De kans is groot dat het antwoord zal zijn: de wijze waarop je tegemoet getreden wordt. Het respect dat je ontvangt als mens, omdat men God ziet in jou. De oefeningen bij dit artikel wijzen je de weg naar een antwoord hierop. Want wat zou er nu mooier zijn dan eenzelfde respect te betuigen aan de broeder, zuster, de portier die ons begroeten en ontvangt? Als Christus in ons woont, dan toch zeker ook in hem of haar? Hoewel er nergens in de RB eisen worden gesteld aan de gast, is het tijd om consequenties te gaan verbinden aan wat ons aan goedheid ten deel is gevallen sinds Benedictus zijn Regel schreef. Het mooiste antwoord op al die ontvangen gastvrijheid, is dat wij – de gasten – ook zelf Christus gaan zien, begroeten en eren in de bewoners van de kloosters waar we zo graag op bezoek gaan. Het zal ons op een nieuw spoor zetten, waardoor uiteindelijk de wijsheid van Benedictus tot ver buiten de kloostermuren tot leven kan komen. Met als lichtend eindpunt aan de horizon: de ochtend van de dag waarop wij ervoeren dat we bij elkaar te gast zijn in het leven, levend met Christus in ons, als mensen onderling.

Aan het werk

We zeggen zo gemakkelijk dat God in ons woont, dat we Hem in de ander zien. Maar het is een spannende uitdaging om deze gedachte werkelijk toe te laten en te streven te leven en te handelen. In onze cisterciënzergroep hebben wij ooit met deze oefeningen gewerkt. Niet iets voor ‘even een leeg momentje’. Maar als je de moed hebt om dit aan te gaan, kunnen er wonderen gebeuren.

Oefening 1: In je eigen omgeving
Stel je voor dat je Jezus aanspreekt bij een gewone ontmoeting die je binnenkort hebt. Een vergadering, een kop koffie met een buurvrouw of een gesprek over de heg, het meisje bij de kassa. Richt je innerlijk op het idee dat Hij in de mens woont en spreek dan alsof je Hem aanspreekt.
Je hoeft de ander niet hardop te melden dat je dit ‘doet’ – het gaat erom dat jij in jezelf iets voelt veranderen, dat er iets verschuift. In je houding, in wat je zegt, in je gevoel voor de ander.

Oefening 2: In het klooster
Zoek zorgvuldig uit in welk klooster je gast zou willen zijn. Voordat je opbelt om te vragen of je terecht kunt, neem je rustig de tijd. Je gaat zitten en laat het stil worden in jezelf. Stel je voor dat je zo dadelijk Christus aan de lijn krijgt, dat je met Hem zelf spreekt. Bel dan pas op.
Voor je verblijf begint doe je het zelfde. Word stil voordat je aanbelt, besef dat Hij woont in de broeder of zuster die jou straks zal begroeten. Bereid je voor op een letterlijke ontmoeting met Christus. Neem een houding aan (fysiek en geestelijk) die daarbij past. Je kunt dit uitbreiden naar elke ontmoeting tijdens je kloosterdagen, zowel met de kloosterlingen als de andere gasten.
Ook hier geldt: je hoeft anderen niet te vertellen dat je met deze oefening bezig bent. Het praten erover zal je alleen maar afleiden van wat je probeert te doen.

Oefening 3: Met iemand die dit verstaat
Als je iemand kent bij wie je je veilig voelt en die hier ook voor openstaat, kun je afspreken elkaar op deze manier te gaan bejegenen. Je kunt eens proberen dit een uur ’te doen’ een uur lang met elkaar omgaan alsof de ander Christus is. Eng? Ja, maar ook wondermooi. Trek je er niets van aan als je eerst wat lacherig wordt. Dat is de onwennigheid en de grootte ervan. ‘Christus ontmoeten? Wij? Zomaar hier in dit vertrek?’ Het kan te enorm lijken om mogelijk te zijn, maar zo dichtbij is Hij – als je Hem toelaat.
Je kunt ook allebei plaatsnemen op een stoel en elkaar in stilte een tijd aankijken, tastend naar God in de ander. Stel eventueel een timer in, zodat je niet op de tijd hoeft te letten. Vijf tot tien minuten is al heel wat. Negeer het ongemak, blijf kijken en er gaat een wereld voor je open.

Maria van Mierlo is geestelijk begeleider, schrijfster en lid van de Cisterciënzergroep Sion. Zij was enige jaren eindredacteur van Klooster!

Boeken