Chevetogne

door Hester Knibbe (1946- )

Het huis is hier van hogerhand.
Stemmen en tegenstem sluiten je uit
en in. Ik woon hier deze dag voorgoed.

Het gaan en komen van de wierookman
slingert de tijd. Zolang zijn rondgang
in het zonlicht hangt dat lijnrecht zich
naar binnen buigt, hoeft niemand bang

te zijn. Waarom de kaarsen aan en uit, het kruis
getoond en weer geborgen op de schrijn
achter het rood, staat ergens buiten kijf.

Men zingt zich los in wat ik niet versta,
bezweringen die ik eenvoudig duid: ga,
wees gezegend, blijf, hier of in eeuwigheid.

Bespreking van het gedicht

‘Als een poëet zo’n strenge, zwaar allitererende zin op kop zet, dan vermoed je dat de rest van het gedicht van een onverminderde stelligheid zal getuigen. Dat het een huis wordt waarin duidelijkheid en klaarheid heerst. Veiligheid en zekerheid. Niet hier! Ook al schrijft Knibbe dat de gewijde sfeer van de abdij van Chevetogne alle gevoelens van vrees of twijfel pareert – want zolang de walmen wierook in het naar binnen stromende zonlicht dansen, ‘hoeft niemand bang // te zijn’ – toch staat haar vers nog vol van zaken die ons het noorden doen verliezen. Dat komt vooral omdat de dichteres het sacrale karakter van de byzantijnse eredienst, die ze hier beschrijft, volledig respecteert. Je zou ook kunnen zeggen dat Knibbe het deurtje-open-deurtje- dicht-ritueel aan de wand van de iconostase perfect nabootst in haar ‘Chevetogne’. Het lijkt of ze op zoek gaat naar het begrip dat de onwezenlijke toestand tussen uit en in, tussen gaan en komen, tussen tijd en eeuwigheid, tussen aan en uit, en tussen getoond en geborgen vermag op te roepen.

Het vreemde spel met elkaar uitsluitende termen begint al in de eerste strofe:

Stemmen en tegenstem sluiten je uit
en in.

Dat slaat op de oude Griekse en Slavische gezangen die het monomane karakter van het officie bepalen. Die meerstemmige a capella-muziek herinnert aan het bestaan van communicatiekanalen waar je niet zomaar op afstemt, zoals dat wel mogelijk is met een radiozender. De litanieën en hymnen uit de liturgie sluiten de niet-ingewijde enigszins buiten. Ze zijn de echo van de hemelse liturgie. Maar omdat die meeslepende melodieën evengoed de onafgebroken dialoog tussen God en zijn schepselen verklanken, werken ze niet minder inclusief. De sfeer van de musica coelestis slaat zich als een mantel om de gelovigen.
Zo’n paradoxale ervaring verleidt Knibbe tot het formuleren van een eerste conclusie:

Ik woon hier deze dag voorgoed.

Vreemd! Hoe valt het tijdelijke verblijf, het bezoek aan een klooster op welbepaalde dag – ‘deze dag’ — te rijmen met de indruk ‘voorgoed’ op deze plek te wonen? Het antwoord is eenvoudig. Waar we een poosje verbleven, daar zijn we niet meer aanwezig, maar ook nooit meer niet (geweest). Wat we deden is voorbij, maar ook nooit meer niet gedaan, dus voor altijd aanwezig in de wereld van het gebeuren. Het hier en nu is nooit alleen maar hier en nu.
Ik geloof dat je een beetje liturgiegevoelig moet zijn, om dit religieuze aspect van het aardse tot je door te kunnen laten dringen. Knibbe laat ons daarom meekijken in de byzantijnse kerk van Chevetogne. Ze leent ons ogen die visuele poëzie ontwaren in het spel van de liturgievierende monniken. Je ogen de kost geven is hier de boodschap. Kijk naar de man die met zijn wierookvat zowaar een estafettetocht in zijn eentje onderneemt. Naar de zonnestralen die in de wolken wierook bijna haastig uitgestoken, zorgdragende armen uit den hoge lijken. Naar het met edelstenen bezette crucifix dat voor een kleine poos van achter het koninklijk rood aan de schrijn wordt gehaald.

Maar kijken is nooit registreren alleen. Het is het geziene in een vertrouwd kader plaatsen. Hier stelt zich juist het probleem. Knibbe slaagt er niet in het gebeuren onder te brengen in tijdelijke of ruimtelijke kaders. Dus tilt ze haar eenvoudige mededelingen naar een ander plan, vol mysterie. Ze heeft er oneigenlijk beeldgebruik voor nodig. Zoals in de zin

Het gaan en komen van de wierookman
slingert de tijd

– meteen een mooie illustratie van de elegantie waarmee je vergelijkingen in elkaar kunt schuiven. Of zoals in de voorlaatste strofe, waar ze de geijkte uitdrukking ‘het staat buiten kijf’ verstoort met de plaatsbepaling ergens. Het lijkt alsof Knibbe hier duidelijk maakt dat we de vertrouwde temporele en spatiële categorieën moeten loslaten als we nog iets willen begrijpen van de liturgie, als we er ons in thuis willen voelen. Met dat loskomen uit de gewoonte om eindeloos te duiden, sluit ze dan ook haar gedicht af:


Men zingt zich los in wat ik niet versta,
bezweringen die ik eenvoudig duid: ga,
wees gezegend, blijf, hier of in eeuwigheid.


Met die slotstrofe, die het hele gedicht samenvat, bewijst Knibbe dat je als leek wel degelijk iets kan zeggen over de byzantijnse cultus. Als dat gezegde maar poëzie wil worden. Poëzie die inlijft en op afstand houdt. Poëzie die linea recta op de kern afstevent, maar dan op het eigenste moment van de openbaring slechts bevende cirkeltjes trekt. Poëzie die onthult en verhult, ontnuchtert en bedwelmt. Poëzie die het afscheid naderbij brengt, terwijl ze toch de aantrekking alleen maar heeft verhevigd. Poëzie kortom zoals de monniken van Chevetogne ze spelen in hun liturgie.

In een huis dat vertrouwen wekt – ook al is het een van hogerhand en dus buiten de menselijke controle – blijft iets gaande: de dialoog der tegengestelden. Zou dat het bijzondere charisma zijn dat in abdijen zo tastbaar en zichtbaar wordt?’

Dirk Hanssens

Uit: Frans Crols, Kerk, ken uw monniken!. Een gesprek met Dirk Hanssens osb over het monastieke charisma. In: De Kovel, monastiek tijdschrift voor Vlaanderen en Nederland. Nr.21, jaargang 5, januari 2012, pp. 59-61.

Hester Knibbe (Harderwijk, 6 januari 1946) is een Nederlandse dichteres. Zij woont sinds 1972 in Rotterdam. Haar werk is diverse malen bekroond.

Boeken