13e Zondag door het jaar B – Omgaan met lijden

Schriftlezingen: Wijsheid 1,13-15; 2,23-24; 2 Korintiërs 8,7+9+13+15 en Marcus 5,21-43

Hopeloze gevallen?
Het dochtertje van de overste van de synagoge is een jong meisje, twaalf jaar oud, en haar vader is een Godvrezend mens – dat mogen we wel afleiden uit zijn taak als overste waardoor hij de zorg had voor deze gebedsplaats van de Joden en uit de manier waarop hij Jezus benadert –. Het meisje is stervende en gaandeweg dit evangelie gaat zij dood. De tweede persoon is een vrouw die vreselijk lijdt en dat al twaalf jaar lang; alles had zij geprobeerd maar het was allemaal alleen maar erger geworden. Toch is ook zij een persoon van geloof en vertrouwen, dat blijkt wel uit de manier waarop zij Jezus benadert: “Als ik slechts zijn kleren kan aanraken, zal ik genezen zijn”. Wie zou zoiets nog over zijn lippen kunnen krijgen, na zoveel negatieve ervaringen?

Onmacht en hopeloosheid
Als wij dit evangelie horen, zijn we uitgenodigd deze woorden te laten klinken in ons eigen leven. Want in feite maken mensen in onze tijd dit ook mee. Stel je voor wat het is je dochtertje te verliezen, stel je voor wat het is om al zo lang te moeten lopen tobben, zonder enig uitzicht op verbetering. Zo zijn er ook nu mensen die geraakt zijn in hun gezondheid, die zich grote zorgen maken over dierbare mensen, die de pijn voelen van mensen te moeten missen; of het kan ook zijn dat je merkt dat iets maar niet lukt, dat je een zonde niet kunt overwinnen, dat je niet slaagt, het weer niet haalt, dat je je een mislukkeling voelt, dat je je onmachtig voelt.  Menselijkerwijs gesproken kun je er niet uitkomen.

Waarom?
De mensen in het evangelie die zoveel en zo lang lijden moeten, waren goede mensen zo lijken we wel te mogen concluderen. Ze hadden dus ook nog kunnen  redeneren: “Waarom heeft God mij dit aangedaan? Waaraan heb ik dit verdiend?” Dat is een heel menselijke en begrijpelijke reactie als je geraakt wordt tot in het diepste van je ziel. Toch doet dit grote leed dat deze mensen heeft geraakt, iets anders met hen.

Wat het lijden met ons kan doen
De man, Jaïrus, is een vooraanstaand man – overste van de synagoge –, niet de eerste de beste, iemand voor wie anderen buigen, naar wie zij respectvol opzien. De narigheid die hij met zijn dochter meemaakt, brengt hem ertoe zich te vernederen: Hij valt Jezus te voet en smeekt Hem met aandrang. Dat is een gevolg dat het lijden in ons kan uitwerken. Wanneer we iets meemaken kan ons dat minder hard, minder liefdeloos, meer bescheiden, meer eenvoudig maken. Het lijden kan ons helpen om betere mensen te worden, als we dat lijden wat ons treft goed proberen op te pakken, proberen te aanvaarden. Het kruis dat wij niet willen, dat we weg proberen te gooien, treft ons harder, dan het kruis dat we gewillig op ons proberen te nemen. De vrouw die al zo lang lijdt en die al haar geld heeft uitgegeven aan artsen, heeft een ongelooflijk vertrouwen. Na al die pijnlijke jaren, zegt zij nog, gelooft zij nog: “Als ik slechts zijn kleren kan aanraken, zal ik genezen zijn”. Zo’n geloof, zo’n vertrouwen, dat is werkelijk ongelooflijk. En toch kan het lijden dit in ons bewerken; je grote en kleine pijnen worden vruchtbaar en vormen je als je maar probeert aan te nemen wat de Heer op je pad heeft gebracht. De vrouw was geduldiger, vertrouw-vol, gelovig geworden.

Een kruispunt op onze weg
Het lijden in ons leven plaatst ons altijd op een kruispunt: we moeten kiezen. Natuurlijk heb je het er heel moeilijk mee, zeker als het gaat om iets dat echt veel pijn doet. Dus kan het niet gaan om een knop die je omzet, maar het gaat om de weg die je kiest en die je met Gods hulp wilt gaan: dat je de woorden herhaalt die Jezus sprak in de hof van olijven: “Vader, laat dit aan mij voorbijgaan, maar niet mijn wil, maar uw wil geschiede”. We kijken naar de Onschuldige die uit liefde voor ons heeft geleden; natuurlijk, echt onschuldig zijn wij niet, wij zijn mensen met fouten en gebreken, met zonden, ook zonden en fouten die een beetje buiten ons blikveld zijn gevallen, die wij niet meer zo gewaar worden of die we vergoelijken. Maar we kunnen van onze pijn met Gods hulp een offer van liefde maken in eenheid met Jezus. Het lijden plaatst ons op een kruispunt. De beide mensen in het evangelie hebben toen gekozen om deze weg te gaan en naar Jezus toe te gaan met vertrouwen en van Hem alle hulp te verwachten die in deze omstandigheden nodig is.

De enige begaanbare weg…
Eigenlijk is dat de enige weg. Het kruis dat we wegwerpen treft ons zwaar: je wilt het niet, je aanvaardt het niet, het is allemaal zo oneerlijk. Langs die weg raak je verbitterd en maak je jezelf en je leven kapot. “Wees niet bang, maar blijf geloven”, zegt Jezus tot Jaïrus in diens grote nood, en dat zegt Hij ook tot ons. Probeer je alles te aanvaarden uit Gods hand? Dan zul je dankbaar kunnen zijn, zelfs voor moeilijke en verdrietige dingen. Alles is een kans, alles kan je vormen, in alles ligt een mogelijkheid verscholen om een beter mens te worden.

Hij is erbij
In die zin willen we vandaag God danken. Hij is bij ons, Hij geeft ons alles wat we nodig hebben. Maar speciaal is Hij bij ons in de heilige Eucharistie: ‘Mijn lichaam gegeven voor u, Mijn Bloed vergoten voor u’, het is de lijdende Heer die bij ons komt, alsof Hij wil zeggen: Ik weet wat het is, ik begrijp je. Ik ben bij je.
Wees niet bang.

† Jan Hendriks

Afbeelding: Arcabas, Franse rooms-katholieke kunstenaar (1926), dochter van Jaïrus, via Artway

Boeken