27e Zondag door het jaar C – Is godsdienst “moeten”?

Schriftlezingen: Habakuk 1,2-3+2,2-4; 2 Timoteüs 1,6-8+13-14 en Lucas 17,5-10

Moeten
Bijna niemand vindt het leuk om iets opgelegd te krijgen. Als je tegen iemand zegt dat hij iets moet doen of moet zeggen, gaan er stekels overeind staan. Daar zijn uitzonderingen op: een scholier vindt het normaal dat hij zijn huiswerk moet maken, ook al is hij daar nou niet zo’n grote liefhebber van. Daar zitten dan ook sancties achter: als hij zijn huiswerk niet zou maken, zou hij van iedereen lelijke gezichten krijgen en straf en dan bleef hij zitten of zou hij zijn diploma niet halen. Een volwassene vindt het normaal dat er op zijn werk iemand is die hem zegt wat hij moet doen, welke werkzaamheden er worden verwacht. Ook daar zit een stok achter de deur: als je je werk niet doet, weigert te doen wat je wordt opgedragen, kun je ontslagen worden, minder aangenaam werk krijgen of kunnen de kansen om hogerop te komen worden geblokkeerd. Een soldaat in het leger weet dat hij moet gehoorzamen. Als burgers moeten wij gehoorzamen aan allerlei wetten, of we het leuk vinden of niet. In een normaal gezin gelden bepaalde regels. Zelfs de clubs en verenigingen waarvan we misschien lid zijn en waar we onze vrije tijd aan besteden, hebben bepaalde regels, waar we ons aan moeten houden. Overal staan sancties op: als we niet gehoorzamen zijn er nadelige gevolgen voor onszelf. Je krijgt straf, je wordt ontslagen, je wordt geschrapt als lid. Er is dus toch wel vaak een soort van “moeten” in het spel.

Het minimum?
Die sancties zijn een soort uiterste middel. Een scholier die goed gemotiveerd is, doet wel iets meer dan het absolute minimum om net niet van school te worden gestuurd; iemand die van zijn werk houdt, legt er iets van zijn ziel in, laat zien dat hij er hart voor heeft; in een gezin doe je niet alleen iets omdat je wel moet en je anders zo vreselijk op je kop krijgt, maar ook uit verantwoordelijkheidsbesef en uit respect en liefde voor je huisgenoten (dat wordt als we volwassen worden sterker). In een vereniging heb je een kern van enthousiaste leden, die veel voor elkaar weten te brengen. Die doen tien keer meer dan het minimum.

Niet alleen je plicht
Zo is het ook met de godsdienst en met de Kerk: alleen maar je plicht doen, is veel te kaal. Ook in de godsdienst geldt zoals op ons werk, op school of thuis, dat als we alleen het strikte minimum doen, dan gaat dat innerlijk meer van ons afstaan, je legt er dan je hart niet in, op den duur krijg je er een afkeer van, want het was alleen een uiterlijke plicht, niet meer. Je moet van je taak in het leven iets moois proberen te maken, dan geeft het jezelf ook veel meer, het krijgt meer inhoud. Zo is het in het godsdienstige.

Royaal en vrijgevig
Het evangelie heeft het over “plicht”. Wij mensen worden vergeleken met een boerenknecht. God is de boer die ons in dienst heeft genomen. Hij heeft dus het recht om ons te zeggen wat wij moeten doen. Hij hoeft ons niet dankbaar te zijn, want het behoort tot ons werk om Zijn opdrachten uit te voeren, dat is onze plicht. Deze woorden moeten de Joden die ze hoorden wel en beetje beschaamd hebben gemaakt. Driemaal per dag baden zij dat God de enige Heer is en dat je Hem moet liefhebben met heel je hart, heel je ziel en heel je verstand. Onze Lieve Heer heeft ons niet alleen een werk opgedragen, zoals een boer dat doet aan een knecht, maar Hij heeft ons alles gegeven: ons leven, onze vermogens, het doel van ons leven: het komt allemaal van Hem. Onze verhouding tot God is veel meer dan die van een knecht met zijn baas en God mag veel meer van ons vragen dan alleen onze plicht. Het antwoord moet komen van ons hart. Het is royaal en vrijgevig.

Godsdienstige plichten?
Zeker, er bestaat zoiets als godsdienstige plichten; God legt ons bepaalde dingen op die we niet mogen doen of die we wel moeten doen. Maar het zijn geen gewone plichten zoals we die kennen op school, op het werk of ten opzichte van de wetten van de overheid. Dat wat God ons vraagt is meer een appel op ons geweten, een beroep op de gezindheid van ons hart. Het antwoord dat Hij oproept komt uit onze ziel, uit ons hart. Het wordt gegeven in eenvoud, zonder pretenties: “Heer, ik heb alleen maar mijn plicht gedaan?”

† Jan Hendriks

Afbeelding: Jondolar Schnurr via Pixabay

Boeken