2e Zondag van de Veertigdagentijd – De wereld in, want daar horen we thuis

Schriftlezing: Matteüs 17,1-9

‘Staat op en vreest niet.’

Op de zondagen vóór het begin van de veertigdagentijd lazen we uit de Bergrede van Matteüs. Vandaag, op de tweede zondag van de veertigdagentijd, blijven we nog even bij Matteüs – de evangelielezing van deze zondag is Matteüs 17,1-9 – en we gaan opnieuw een berg op. Maar nu niet voor een toespraak van Jezus, maar voor een bijzondere, wondere gebeurtenis. Jezus neemt drie geliefde leerlingen, Petrus, Jakobus en Johannes, die vaker samen optrekken, mee een hoge berg op, en daar verandert Hij van gedaante. Matteüs gebruikt daarvoor net als Marcus (Lucas formuleert het anders) het werkwoord μετεμορφώθη: Hij onderging een metamorfose.

Die berg wordt in de traditie, te beginnen met de vroegchristelijke theoloog Origenes, vereenzelvigd met de Tabor, een berg ten zuiden van Galilea, bij het begin van de vlakte van Jizreël. En daardoor heeft de gebeurtenis de naam gekregen van de Transfiguratie op de berg Tabor. Maar andere vroegchristelijke schrijvers noemen ook andere bergen. Welke berg het was, doet er eigenlijk niet toe. Vooral voor Matteüs (Marcus en Lucas vertellen het verhaal ook: Marcus 9,2-10; Lucas 9,28-36) is de overeenkomst met Mozes van belang. Ook Mozes ging een berg op om de tien wegwijzers of geboden te ontvangen, ook Mozes had drie getuigen bij zich (Aäron, Nadab en Abihu) toen hij de berg op ging voor de verbondssluiting (Exodus 24,1), ook van Mozes glansde het gelaat (Exodus 34,35) en ook bij Mozes was God aanwezig in een wolk (Exodus 40,33-38: de wolk die rustte boven de tabernakel). Kortom, Jezus is de nieuwe Mozes. Het verbond wordt in Hem vernieuwd. En daarom voegen Mozes en Elia zich ook bij hen op de berg, nadat het gezicht van Jezus is gaan stralen als de zon en zijn kleren wit zijn geworden als het licht.

Voor de drie leerlingen moet het een overweldigende ervaring van goddelijke aanwezigheid zijn geweest, een ervaring van mystiek gehalte. En graag willen zij die vasthouden. Daarom stelt Petrus voor: laten we hier drie tenten of tabernakels (σκηνάς in het Grieks) maken, een voor Jezus, een voor Mozes en een voor Elia. Maar die goddelijke presentie laat zich niet vasthouden, die laat zich niet vangen, ook niet in een tabernakel. Die is er, soms, even. Het vergaat de drie leerlingen als de twee die op weg waren naar Emmaüs: als zij Jezus eindelijk herkennen, ‘wordt Hij onttrokken aan hun blik’ (Lucas 24,31). Als je God denkt te zien, ontsnapt Hij onmiddellijk weer.

Uit de stralende wolk die boven de berg verschijnt, klinkt een stem, en die bevestigt dat de Eeuwige kiest voor Jezus: ‘dit is de zoon van mij, de geliefde, in wie ik vreugde vind’ (Οὗτός ἐστιν ὁ Υἱός μου ὁ ἀγαπητός ἐν ᾧ εὐδόκησα). Kan er iets mooiers gezegd worden dan dit: je bent mijn kind, mijn geliefde, en ik word blij van jou. En tegen anderen zegt de stem uit de wolk: hoor Hem, luister naar Hem (ἀκούετε αὐτοῦ)! Het is een keuze van de Eeuwige voor de weg van Jezus: volg Hem, neem zijn woorden ter harte, want wat Hij doet is mij welgevallig.

De leerlingen schrikken ervan: wat een overweldigende ervaring. Ze worden door hevige angst bevangen en werpen zich ter aarde. Maar dan doet Jezus wat de Eeuwige vanuit de wolk met Hem deed: Hij kiest voor de bange leerlingen. Dat doet Hij op zijn bekende nabije, tactiele wijze: Hij komt dichterbij en raakt hen aan en spreekt de belangrijke woorden: ‘Sta op en wees niet bang’ (μὴ φοβεῖσθε)!

Het is de boodschap die de hele Schrift doortrekt: wees niet bang, vrees niet, kom op de been, sta op! Het zijn woorden die in de versie van Marcus en Lucas ontbreken. Bij Matteüs geven ze een nieuw element aan het verhaal: niet alleen kiest de Eeuwige voor Jezus, maar Jezus kiest ook voor de leerlingen, hoe bang ze ook zijn. Zij worden nu al geroepen zijn werk voort te zetten: te verkondigen dat de angst voorbij mag zijn. De kerk wordt geboren.

Daarom moeten zij ook de berg weer af. Zij dalen af (καταβαινόντων) van de mystieke berg, de wereld in, waar wij allemaal thuishoren. De godservaring die zij gehad hebben, dient niet om in te blijven verwijlen. Zij vraagt erom gedeeld te worden, als de tijd daarvoor rijp is. Daarom is het belangrijkste vers over de bijzon- dere ervaring op de berg eigenlijk het vers dat erop volgt (en dat vandaag niet gelezen wordt): Jezus en zijn drie gezellen dalen de volgende dag de berg weer af. De wereld in, want daar horen wij thuis.

Peter Nissen
Loslaten en groeien

Boeken