Christus, Koning van het heelal jaar C

Schriftlezingen: 2 Samuël 5,1-3; Psalm 122; Kolossenzen 1,12-20; Lucas 23,35-43

Op deze zondag eindigt het liturgisch jaar, een jaar dat niet voortkomt uit de tijdindeling van de mens, maar uit die van God. Het Tweede Vaticaans Concilie benadrukt in zijn Constitutie over de Liturgie dat het liturgisch jaar Christus zelf is. In de loop van de liturgische tijd worden de gelovigen bij de hand genomen, dag na dag, zondag na zondag, van de Advent tot het feest van Christus Koning, en begeleid in de beschouwing van het mysterie van Gods geschiedenis van liefde voor de mensheid. En door de gedachtenis van de Heer te vieren maakt de liturgie ons deelgenoot van het mysterie van verlossing. De apostel Paulus herinnert ons hieraan in de brief aan de Kolossenzen: De Heer “heeft ons ontrukt aan de macht van de duisternis en overgebracht naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon, in wie wij de bevrijding hebben, de vergeving van de zonden”. Ja, wij zijn “overgebracht”, “emigranten” uit deze wereld, waar duisternis en kwaad heersen, naar een andere wereld, waar de Heer Jezus en zijn liefde koning zijn. Het is een “andere” wereld dan die waar de vernietigende kracht van het kwaad slacht­offers blijft maken. Pilatus vraagt Jezus: “U bent dus toch koning?”, en Hij antwoordt: “Ja, Ik ben koning”. En Hij voegt er onmiddellijk aan toe: “Met geen andere bestemming ben Ik geboren en in de wereld gekomen”. Jezus is gekomen om koning te zijn. Deze bevestiging is tegelijk plechtig en dramatisch, omdat ze Jezus zal leiden naar het doodvonnis en naar het kruis. Pilatus eist dat deze veroordeling wordt geschreven op een bordje dat op het kruis moest worden aangebracht: “Jezus, de Nazoreeër, koning van de Joden”.

Voor de mensen is Jezus een vreemde koning: zijn troon is een kruis en zijn hofhouding bestaat uit twee dieven die met hem gekruisigd worden en een paar vrouwen en een enkele jongeman die treurend samenkruipen onder het schavot. Maar het is het beeld van elke christelijke gemeenschap. Het is het symbool van het kruis dat opvalt in elke kerk, maar vooral in het leven van christenen die vervolgd worden. Het evangelie vertelt ons dat Jezus vanop het kruis de vorst van het kwaad verslaat, vanop het kruis begint de bevrijding van de mensheid van de heerschappij van de zonde en de dood.

Aan het hout genageld hoort Hij van iedereen dezelfde verleidelijke woor­den: “Ben jij de koning van de Joden? Red dan jezelf!”. Dat is het evangelie van de wereld, dat haaks staat op het evangelie van Jezus. En ieder van ons weet goed hoe verraderlijk en doortastend het evangelie van de wereld is. Maar Jezus overwint dit dogma van eigenliefde aan het kruis. Jezus redt zichzelf niet, maar geeft zijn leven om anderen te redden.

Dit feest van Christus Koning toont ons deze koninklijke liefde die het le­ven van mensen verandert. Laten wij dan doen zoals Jezus’ moeder en die kleine groep vrouwen met die ene jonge leerling: onder het kruis staan en wachten op de verrijzenis, terwijl wij tot de Heer blijven zeggen: “Wij zul­len U niet verraden zoals Judas, maar met de gekruisigde rover zeggen wij: Heer, denk aan ons in uw koninkrijk”. En wij zullen Hem nu reeds horen antwoorden: “Ik beloof je, vandaag nog zul je bij Mij zijn in het paradijs”.

Vincenzo Paglia
Het Woord van God elke dag 2025

Boeken