4e Zondag van de Veertigdagentijd – Geloven is je vertrouwen geven

Schriftlezing: Johannes 9,1-41

Ik geloof, Heer!

Net als de vorige week is er vandaag een lange evangelielezing, ook weer uit Johannes, namelijk Johannes 9,1-41, het hele hoofdstuk dus, en opnieuw mag die lezing ingekort worden, volgens zowel het rooms-katholieke als het oecumenische leesrooster. Maar u gaat natuurlijk voor het hele verhaal. En dat is dat van de genezing van de blindgeborene. Jezus geneest hem op de sabbat, en Hij doet dat weer heel tactiel en fysiek: Hij spuugt op de grond, maakt daar modder van en strijkt die op de ogen van de blinde. (Het verbaast me dat ik in de literatuur over middeleeuwse reliekenverzamelingen nog nooit een reliek van die modder vermeld heb gezien.)

De genezing brengt een hoop discussie teweeg, en dat is weer typisch iets van de schrijver van het Johannesevangelie. Ook het oudste evangelie, dat volgens Marcus, vertelt over verschillende genezingen van blinden. De tocht van Jezus van Galilea naar Jeruzalem begint (Marcus 8,22-26) en eindigt (11,46-52) ermee. Bij Marcus zijn het korte en krachtige vertellingen, die gaan over zien en niet zien. Zelfs de leerlingen die dan al een tijd met Jezus meetrekken, zien nog niet wie Hij is en waar het om draait. Bij Johannes wordt die theologische duiding flink aangescherpt. Het verhaal van de genezing van de blindgeborene wordt er uitgewerkt tot het vijfde van de zes (of volgens sommigen acht) ‘tekenen’ (σημεῖα) waarmee Jezus onthult wie Hij is. De keuze van ‘zien’ en dus ‘tot geloof komen’ speelt zich bij Johannes in verschillende fasen af, steeds met andere tegenstemmen van mensen die het niet kunnen geloven. Eerst zijn het de buren en de bekenden van de blinde bedelaar (vers 8), dan zijn het de farizeeën, die de echtheid van de genezing niet kunnen geloven omdat die zich op de sabbat heeft voltrokken en dat is in strijd met wet en regelgeving (vers 13), en ten slotte de Judeeërs (vers 18). Allemaal kunnen ze niet geloven dat de blindgeborene genezen is. Bij de Judeeërs moeten de ouders van de blinde erbij gehaald worden om te getuigen dat hij eerst toch echt blind was.

Met al die tegenstribbelende opponenten verdiept het geloof van de blindgeborene zich alleen maar. Eerst zegt hij dat degene die hem genezen heeft, wel ‘een profeet’ moet zijn (vers 17), daarna dat hij ‘van God moet komen’ (vers 33) en ten slotte belijdt hij tegenover Jezus zelf zijn geloof in ‘de Zoon van de mens’ (vers 35: τὸν Υἱὸν τοῦ ἀνθρώπου). Dat doet hij, en dat is de prachtige climax in dit verhaal, in de persoonlijke ontmoeting met Jezus: zij kijken elkaar aan en zij spreken met elkaar. Geloof ontstaat uit ontmoeting. Dan werpt de man zich voor Jezus neer (προσκυνέω als daad van verering) en spreekt uit: ‘Ik geloof, Heer’ (Πιστεύω Κύριε, vers 38). Zo kort en krachtig kan het! (De ingekorte versies van beide leesroosters laten hier dan ook de evangelielezing eindigen.) De genezen man hoeft geen uitgebreide geloofsbelijdenis op te zeggen. Het enige wat hij zegt, is: ik vertrouw U. Want dat betekent ‘geloven’ (πιστεύω) bij Johannes, zoals ik eerder al heb verteld (zie de overweging bij de vorige zondag). Het komt in zijn evangelie bijna honderd keer voor en alle keren als werkwoord. Geloven is je vertrouwen geven. De blindgeborene kon het, ondanks of juist dankzij alle tegenstand die hij ondervond. Die tegenstand hielp hem juist om te groeien in geloof en zich uiteindelijk aan Jezus gewonnen te geven. Willen ook wij ons geloof bij alle tegenwind laten verdiepen en ons uiteindelijk gewonnen geven?

Peter Nissen
Loslaten en Groeien

Afbeelding: Genezing van de blindgeborene, Duccio-di-Buoninsegna, The National Gallery, Londen (1308-1311)

Boeken