Goede Vrijdag jaar C – Toen Hij niks kon, toen greep Hij in

Schriftlezingen: Jesaja 52,13-53,12; Hebreeën 4,14-16; 5, 7-9; en Johannes 18,1-19,42

Ontledigd…
Wat de mensen hier zien is een man die sterft, machteloos; alle menselijke vermogens zijn ten dode opgeschreven. Hij kan nergens heen gaan: zijn voeten zijn aan het kruis genageld; Hij kan niets doen: zijn handen zijn vast gespijkerd; zelfs spreken kan Hij nauwelijks: Zijn mond is als een potscherf zo droog. “Ik heb dorst”. Hij is ontdaan van alle menselijke waardigheid, een vluchteling was Hij, een ter dood veroordeelde, een misdadiger is Hij. Hij telt niet mee; gezag of macht heeft Hij niet. Hij is de kleinste, de minst betekenende onder alle mensen geworden. De eerste de beste bedelaar die daar rondloopt, is er beter aan toe dan Hij die niets meer kan, die geen verweer heeft tegen de pijn die Hem wordt aangedaan.

Hij heeft alles gedragen
Wie kan de diepte, wie kan de afgrond van Zijn lijden meten? Wie kan begrijpen wat het inhoudt als de Godmens lijdt onder de zondelast van heel de wereld, van alle tijden; wie kan begrijpen wat een lijden inhoudt, dat kosmische dimensies aanneemt. Heel menselijk en beperkt kunnen we proberen dit lijden te benaderen en zo begrijpen wat het is als je dag aan dag wordt omringd door iemand die zich voordoet als je vriend, maar die steelt en je verraden zal.

Hoe kon Hij…?
Hoe kon Hij zwijgen, hoe kon Hij het dragen, hoe kon Hij leven met die wetenschap? Hoe kon Hij leven wetend hoe alleen Hij in feite was, dat zijn vrienden Hem zouden verraden, verloochenen, in de steek zouden laten? Hij heeft het allemaal verdragen.

Middelpunt
Nu kan Jezus niets meer, Hij is volstrekt machteloos, kan zich niet bewegen. Toch voltrekt Hij hier Zijn grootste werk: hier redt Hij ons, hier worden wij verlost. Wat hier gebeurt is het middelpunt van heel de geschiedenis van de mensheid. Nooit zal er iets gebeuren en is er iets gebeurd dat niet zijn diepste zin ontleent aan wat hier plaats vindt; alles wat op aarde leeft, heel het menselijk geslacht, ontleent zijn betekenis, zijn waarde en toekomst aan dit ene moment waarop God machtelozer was dan ooit tevoren.

Toen greep Hij in!
Die dag toen meer dan ooit tevoren God zelf volstrekt machteloos leek tegenover het lijden en de dood en tegenover al het kwaad dat mensen elkaar aandoen, toen – juist toen, op die dag! – heeft Hij ons verlost; toen heeft Hij ons gered van de eeuwige dood, en alles een wending ten goede gegeven. Juist toen iedereen dacht: “Waarom doet God niets, waarom grijpt Hij niet in”, toen greep Hij in, maar anders dan wij dachten.

Hij heeft dorst
“Ik heb dorst”. De zusters van Moeder Teresa hebben deze woorden van Jezus bij de kruisen in hun kapellen hangen om aan te geven dat Jezus dorst heeft en verlangt, naar onze daden, naar onze naastenliefde, naar onze bereidheid om te verdragen, om iets te offeren, iets te geven voor Hem.

En wij?
Als je vandaag naar Jezus kijkt, valt het je op hoe weinig Hij in zijn lijden aan zichzelf denkt? Hij denkt aan zijn zending, zijn taak: “Het is volbracht”; Hij denkt aan ons zijn Kerk: Hij gaf de geest, Hij gaf zijn moeder aan ons als moeder, Hij gaf zichzelf. En wij? Wij aanbidden U Christus en loven U, omdat Gij door uw heilig kruis de wereld hebt verlost.

† Jan Hendriks

 

 

Boeken