3e Zondag van de Veertigdagentijd jaar C – Barmhartig en genadig

Schriftlezingen: Exodus 3,1–8a.13–15; Psalm 103; Korintiërs 10,1–6.10–12; Lucas 13,1–9

“Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, de jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord; Ik ken hun lijden”. God zelf daalt neer uit de hemel om zijn volk te bevrijden. Hij roept Mozes om hem over zijn besluit te vertellen en hem bij de bevrijding te betrekken. Het initiatief komt van God, die Mozes als instrument gebruikt. De ontmoeting vindt plaats als Mozes op de hellingen van Horeb is. God spreekt vanuit een doornstruik die brandt en toch niet verteerd wordt.

Het woord dat Mozes hoort, weerklinkt ook vandaag nog, terwijl de wereld wordt geteisterd door oorlogen en onrecht. De Heer ziet het lijden van de volkeren, Hij hoort het gekerm van de kinderen, de klaagzang van de oude­ren, het geschreeuw van de vrouwen. Het woord keert terug en christenen worden opgeroepen om ernaar te luisteren, zoals op de Horeb toen de Heer tegen Mozes zei: “Doe uw sandalen uit, want de plaats waar u staat is heilige grond”. En Mozes – moge hij een meester voor ons allen zijn! – trekt niet alleen zijn sandalen uit, maar verbergt ook zijn gezicht: je kunt niet in de aanwezigheid van God staan door zijn woord met voeten te treden. Mozes is zich bewust van zijn nietigheid en maakt een eerste bezwaar tegen de Heer: “Wie ben ik om tot het volk van Israël te spreken?”. Het lijken wijze woorden, maar eigenlijk zijn ze op een afwijzing. De Heer stelt hem gerust: “Ik zal u bijstaan”. In woorden zit de naam van God zelf, zoals Jezus zich volledig zal manifesteren door Emmanuël te belichamen, “God met ons”. De Heer vraagt ons om niet moe te worden in het bouwen aan broederlijk­heid in deze wereld die door het kwaad onderdrukt wordt. Hij kiest er nog steeds voor om ons te gebruiken om zijn verlossingswerk te volbrengen. De herinnering aan twee dramatische gebeurtenissen, het bloedbad dat Ponti­us Pilatus had aangericht en dat aan zoveel mensen het leven had gekost, en de instorting van de toren van Siloam, vragen gelovigen om terug te keren naar de Heer om naar zijn wil te handelen en mensen te redden van het geweld van het kwaad. En de gelijkenis van de vijgenboom laat de urgentie zien van onze smeekbeden aan de Heer om geduld te hebben met de men­sen en de wereld te verlossen van het kwaad. De dialoog tussen de eigenaar van de wijngaard en de wijngaardenier lijkt een echo van die van Abraham met de Heer om de stad te redden. Het gebed doet God ook terugkomen op zijn beslissingen. Dat is de betekenis van ons gebed in deze tijd van vasten­tijd en van oorlog. Gebed met geloof en volharding stijgt op naar de hemel, in het besef dat – zoals de psalm zingt – de Heer “barmhartig is en genadig, geduldig, en in liefde groot” (Ps 103,8).

Vincenzo Paglia
Het woord van God elke dag 2025

Afbeelding: “The Unfruitful Fig Tree and the Servants Duty”, Kazakhstan Artist Nelly Bube

Boeken