17e Zondag door het jaar C – Bidden

Schriftlezingen: Genesis 18,20-32; Psalm 138; Kolossenzen 2,12-14 en Lucas 11,1-13

De evangelies vertellen vaak dat Jezus zich terugtrekt op eenzame plaatsen om te bidden. Het is een dagelijkse bezigheid, en het zijn belangrijke momenten voor Hem. Niet zelden zien de leerlingen Hem in gebed en bewon­derden ze Hem daarom. Denk maar aan de transfiguratie op de Tabor, toen Hij aan het bidden was. Op een van die momenten, zo meldt Lucas, vraagt een van de leerlingen Hem: “Heer, leer ons bidden, zoals ook Johannes het zijn leerlingen geleerd heeft”. Jezus’ gebed maakt indruk op de leerlingen en daarom vragen ze: “Leer ons bidden”; ze vragen niet zomaar een gebed, maar ze vragen om te leren bidden zoals Hij bidt, met dat vertrouwen en dat geloof in de Vader dat hen zo verbaast. In feite moeten we allemaal leren bidden, en vandaag willen we met dankbaarheid denken aan al die ouderen en grootouders die ons hebben leren bidden en die door te bidden hun geloof aan ons hebben doorgegeven. Dat is wat Jezus doet als Hij aan zijn leerlingen niet alleen de woorden van het Onzevader leert, maar ook het geloof in een God die geen abstracte idee is, maar een Vader die zijn kin­deren liefheeft: “Wanneer je bidt, zeg dan: Vader “, abba, papa. Wij kennen de ontsteltenis die dit woord veroorzaakte in het joodse religieuze milieu, waar het verboden was om God bij zijn naam te noemen.

Jezus doet ons in het gebed het vertrouwen en de onmiddellijke nabijheid van God herontdekken. Niet de plaats waar je bidt of de woorden die je zegt, zijn van tel. Wat telt, is het hart, de vriendschap met God. Dat was ook het geval met Abraham. Exemplarisch en beeldend is de dialoog die hij met God aanknoopt als hij smeekt om Sodom te redden, dat in chaos was vervallen. Het smeekgebed is een taak van alle gelovigen, vrienden van de mensen en vrienden van God. Het gebed kan de wereld redden. De Heer hoort het, want Hij is de filantroop, de vriend van de mensen. De aandrang in een ge­bed in vriendschap raakt het hart van God.

Jezus onderstreept dit met twee korte voorbeelden uit het dagelijks leven. De vriend die om middernacht komt, en de vader die geen slang zal ge­ven aan zijn zoon die hem om een vis vraagt. En Hij besluit: “Als jullie dus, slecht als je bent, het goede weten te geven aan je kinderen, hoeveel te meer zal dan de hemelse Vader de heilige Geest geven aan degenen die Hem erom vragen”. Dat is een manier om uit te leggen dat God grenzeloos bereid is om ons gebed te verhoren. Laten wij vragen en ons zal gegeven worden, laten wij zoeken en wij zullen vinden, laten wij aankloppen aan Gods hart, zoals Abraham deed, en de Heer zal zijn blik op ons richten.

Vincenzo Paglia
Het Woord van God elke dag 2025

Boeken