28e Zondag door het jaar C – Genezing en bekering

Schriftlezingen: 2 Koningen 5,14-17; Psalm 98; 2 Timoteüs 2,8-13; Lucas 17,1-19

Jezus is in het grensgebied van Galilea en Samaria. Als Hij een dorp bin­nengaat, komen tien melaatsen Hem tegemoet (je kwam hen gemakkelijk tegen in de buurt van dorpen). Zij blijven op een afstand staan, zoals de wet voorschreef, en roepen: “Jezus, Meester, heb medelijden met ons”. Jezus ontwijkt hen niet, zoals de mensen gewoonlijk doen, maar begint met hen te praten. En dan stuurt Hij hen weg: “Ga u aan de priesters laten zien”. Hij geneest hen niet onmiddellijk, zoals elders (cf. Lc 5,12-16); ook raakt Hij hen niet aan, maar Hij zendt hen naar de priesters en vraagt hen zo om een daad van geloof. De tien melaatsen gehoorzamen onmiddellijk en gaan op weg naar de priesters. De evangelist merkt op dat zij onderweg “genezen” worden. Je zou kunnen zeggen dat zij zich bewust worden van hun gene­zing. Dat is betekenisvol: de genezing is geen wonderbaarlijke gebeurtenis die als bij toverslag gebeurt. We kunnen het eerste deel van dit tafereel uit het evangelie vergelijken met de eerste stappen van elke bekering en van het leven van de leerling zelf. Bekering komt altijd voort uit een kreet om hulp, uit een gebed, zoals dat van deze tien melaatsen. De liturgie doet ons elke zondag aan het begin herhalen: “Heer, ontferm U!”. Genezing gebeurt als wij onze ziekte erkennen, onze nood aan hulp, bescherming en steun.

Zoals wij in de brief van de apostel lezen, laat het woord van God zich niet gevangen zetten: het spreekt altijd in vrijheid en met kracht. Het probleem is echter dat wij niet luisteren, omdat we wantrouwig zijn of vol van onze eigen woorden. Genezing begint wanneer we het evangelie willen gehoor­zamen, en niet onszelf of onze gewoonten. In die zin zal onze spirituele reis ons genezing brengen, in hart en lichaam, als ze geworteld is in het luisteren naar het evangelie.

Na de genezing van alle tien de melaatsen vermeldt het evangelie dat er slechts één terugkomt en “met luide stem God verheerlijkt”. Zodra hij dicht bij Jezus is, werpt hij zich “aan Jezus’ voeten en bedankte Hem”. De evangelist wil met dit gebaar de nadruk leggen op de volgende stap in de bekering: dankbaarheid en zijn leven toevertrouwen aan Jezus. Want volledige genezing houdt ook die van het hart in. Je zou kunnen zeggen dat die tiende melaatse niet alleen “genezen” is, maar ook “gered”. Hij is een voorbeeld voor ieder van ons, om­dat wij Gods bewogenheid om niet in ons leven mogen ontvangen en Hem mogen danken dat Hij zich over ons heeft ontfermd.

Vincenzo Paglia
Het Woord van God elke dag 2025

Afbeelding: Brian Kershisnik, USA

Boeken