1e Zondag van de Veertigdagentijd – Pleidooi voor het wachten

Schriftlezing: Matteüs 4,1-11

‘In die tijd werd Jezus door de Geest naar de woestijn gevoerd om er door de duivel op de proef gesteld te worden.’

Vandaag, op de eerste zondag van de veertigdagentijd, wordt, net als de volgende week (het is dit jaar in de liturgie een A-jaar, waarin voornamelijk uit het evangelie volgens Matteüs wordt gelezen), zowel op het rooms-katholieke als op het oecumenische leesrooster de lezing van het Matteüsevangelie nog even voortgezet. Daarna wordt er drie zondagen uit het Johannesevangelie gelezen, om op Palmzondag weer terug te keren naar Matteüs voor het lijdensverhaal.

Van de Bergrede, waar we de afgelopen weken op zondag al gedeelten van hoorden, keren we bij het begin van de veertigdagentijd terug naar het begin van het openbare optreden van Jezus: Matteüs 4,1-11. Na zijn doop in de Jordaan door Johannes de Doper wordt Jezus door de Geest meegevoerd naar de woestijn (NBV21 en Willibrordvertaling). De Naardense Bijbel vertaalt het Griekse ἀνήχθη heel precies met ‘omhooggevoerd’, want dat staat er. Dat heeft sommige exegeten ertoe verleid te zeggen dat Jezus misschien niet fysiek in de woestijn is geweest, maar dat het om een gebeuren in de geest gaat: een soort visionaire ervaring.

In elk geval is de plek gevuld met symboliek: de woestijn herinnert natuurlijk meteen aan het verhaal over de uittocht van het volk Israël uit de slavernij van Egypte (in het boek Exodus). Die symboliek geldt ook voor de andere twee plekken die in de evangelielezing van vandaag genoemd worden: de tempel in de heilige stad (vers 5), waarmee natuurlijk Jeruzalem wordt bedoeld (Lucas zegt het er voor zijn lezers expliciet bij: Lucas 4,9), en de ‘zeer hoge berg’ (vers 8).

De oorspronkelijke lezers of hoorders van het evangelie volgens Matteüs, christenen die nog de joodse gebruiken onderhielden en die vertrouwd waren met de Hebreeuwse Bijbel, hebben daarbij natuurlijk meteen gedacht aan de berg Sion, eigenlijk fysiek gezien helemaal niet zo vreselijk hoog, maar wel de berg waar de Gezalfde, de Messias, zou verschijnen. De boodschap die deze locaties bij de lezers van Matteüs moeten oproepen, is duidelijk: Hij is gekomen, de Gezalfde. Eindelijk is Hij er. De verwachting wordt vervuld.

Maar waar Jezus ook was, Hij vast er veertig dagen en nachten, zoals ook Mozes veertig dagen en nachten vastte op de Sinaï (Deuteronomium 9,9), en Hij raakt dan ‘uitgehongerd’ (Naardense Bijbel). En dan komt ὁ πειράζων: de beproever (NBV21; de Willibrordvertaling maakt er de ‘verleider’ van, maar beproever lijkt mij adequater). Dat woord gebruikt alleen Matteüs. Lucas, die in zijn evangelie hetzelfde verhaal vertelt (Lucas 4,1-13), gebruikt alleen het woord διάβολος, duivel, dat Matteüs ook vier keer in deze passage gebruikt. Dat διάβολος betekent ook zoiets als verwarder, tweedrachtzaaier, heen en weer werper (zoals bij het spelletje diabolo). De Naardense Bijbel noemt hem heel treffend ‘de uiteenwerper’. De traditie heeft van deze figuur een eigen persoon gemaakt, een mythisch wezen: de duivel. Maar eigenlijk zit die beproever en tweedrachtzaaier natuurlijk gewoon in ons zelf. Het is de tegenstem in ons die ons in verwarring brengt, die ons van het goede pad probeert af te brengen, de eeuwige ontmoedigende twijfelaar, de lamlegger.

Die beproever stelt Jezus voor drie verleidingen: stenen in brood veranderen, van het hoogste punt van de tempel naar beneden springen, alle koninkrijken van de wereld bezitten. Anders gezegd: macht hebben over de natuur, over leven en dood en over mensen. Jezus beantwoordt alle drie deze verleidingen met een Bijbelwoord, telkens citaten uit het boek Deuteronomium, het in het Nieuwe Testament meest geciteerd boek van de Tora. De drie verleidingen zijn drie keuzemomenten. Die kennen we allemaal in het leven, want we hebben allemaal zo’n twijfelzaaier en heen en weer werper in ons hart. Vroeger noemden we die verleidingen wel ‘bekoringen’ en rooms-katholieken baden in het Onze Vader: leid ons niet in bekoring. Nu luidt die laatste tekst: breng ons niet in beproeving. En dan denk ik erbij: breng ons niet in een beproeving die wij niet aan kunnen. Beproeving lijkt mij inderdaad beter dan bekoring. Bekoord worden is immers niet per se slecht. Met mooi weer kan een ijsje mij wel bekoren. Bekoren is in het Middelnederlands een woord voor onderzoeken, proeven of beproeven. Het woord is verwant aan keuren en kiezen.

Peter Nissen
Loslaten en groeien

Afbeelding: Na 1200, boekverluchting; Duitsland, Freiburg im Breisgau, Universitätsbibliothek

Boeken