Schriftlezingen: Exodus 17,8-13; Psalm 121; 2 Timoteüs 3,14-4, 2; Lucas 18,1-8
Het evangelie vertelt een gelijkenis van Jezus over de noodzaak om altijd te bidden, “zonder de moed op te geven”. De gelijkenis gaat over een arme weduwe die geen recht vindt. In de Bijbelse traditie is de weduwe het symbool van de machteloosheid van de zwakken en de weerlozen: ze heeft geen man of kinderen die haar verdedigen, ze heeft niemand om op terug te vallen. En toch berust die weduwe, in tegenstelling tot de meerderheid, niet. Ze blijft telkens opnieuw naar die rechter gaan om van hem gerechtigheid te eisen tegenover haar tegenpartij. Ze staat zelfs op het punt met hem op de vuist te gaan.
“De rechter,” gaat Jezus verder, “zei bij zichzelf: ‘Ik ben wel niet godvrezend en laat me aan geen mens iets gelegen liggen, maar omdat ze zo lastig is, zal ik deze weduwe aan haar recht helpen’”. Dat is zeker geen voorbeeldig gedrag. Sterker nog, die rechter staat ver af van de twee belang rijkste geboden: God en de naaste liefhebben. Jezus wil de leerlingen echter op alle mogelijke manieren overtuigen van de noodzaak van het gebed: God zal niet nalaten hun aandringende gebed te verhoren. In een wereld waar de zwaksten onderdrukt en in de steek gelaten worden, wil Jezus ons verzekeren dat God ingrijpt: “Zou God dan geen recht doen aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot Hem om hulp roepen en naar wie Hij welwillend luistert? Ik verzeker jullie dat Hij hun spoedig recht zal doen”. “Spoedig”, wanneer we het het minst verwachten.
In Jezus’ woorden wordt duidelijk dat het gebed van de leerlingen invloed heeft op God. De roep van de armen, het gebed van de gelovigen dringt door tot in de hemel naar het hart van God en verandert Hem. Het is geen toeval dat deze pagina uit het evangelie de aandrang van de weduwe in verband brengt met het gebed van Gods uit verkorenen, “die dag en nacht tot Hem om hulp roepen”. Het gaat om één enkele hulpkreet, één enkel gebed: de roep van de armen is het gebed van de kerk. En God hoort het. Het verhoren van het gebed maakt deel uit van Gods rechtvaardigheid, een rechtvaardigheid die echter de aandrang van een smeekbede vereist.
Wij allen kunnen, net als die weduwe, niets anders doen dan met smeekbeden aan God vragen om in te grijpen en recht te doen waar geweld en conflicten, oorlog en vernietiging heersen. Jezus spoort ons aan om de moed niet op te geven. We hebben ook uit het boek Exodus het gebed van Mozes gehoord, die met vaste en vertrouwde handen volhardt tot de zon ondergaat. Hij kan dit echter niet doen zonder de hulp van zijn broers en zussen die zijn handen ondersteunen. Alleen is het gemakkelijk om onze handen te laten zakken, uit vermoeidheid of luiheid, uit die gierige drang naar rust die ons doof maakt voor de roep van de armen.
Het gezamenlijk gebed is een waarachtig dienstwerk dat God in staat stelt om “spoedig recht te doen”. De vraag die Jezus aan het eind stelt, moet ons tot nadenken stemmen: “Maar als de Mensenzoon komt, zal Hij dan werkelijk dit geloof op aarde vinden?”. Anders geformuleerd: zal de Mensenzoon zijn uitverkorenen vinden die bidden voor de redding van allen en vooral van de armsten? Wat een genade voor ons dat wij deze familie als moeder hebben, die nooit ophoudt haar standvastige en vertrouwende handen naar de Heer op te heffen. Wij worden, zoals Aäron en Chur, opgeroepen om ons in te voegen in het gebed van deze moeder, opdat de armen worden geholpen en de wereld wordt bevrijd van geweld.
Vincenzo Paglia
Het Woord van God elke dag 2025
Foto: congerdesign op Pixabay





