Vierde kaars
De dagen naar Kerstmis toe maken me stil. Misschien komt het door het duister van deze tijd. Geen zon, vaak slecht nieuws in de media. Ik zoek dan graag de stilte en de afzondering om open te gaan voor het Licht. Die vind ik in het verpleeghuis van Lage Vuursche. Normaal ben ik daar in het weekend. Deze keer meld ik me op woensdag. Als ik binnen wil gaan, zie ik een van de bewoners. Ze is verdrietig en heeft een slechte dag. Je komt als geroepen, zegt de dochter. We gaan naar de kleine Mariakapel buiten, kom je ook, vraagt ze. Ik breng eerst de communie naar een oude vrouw die in bed is blijven liggen. Ze vindt het te donker. We bidden samen. Daarna loop ik naar de Mariakapel, vlakbij de begraafplaats in de bossen. Daar zie ik de verdrietige vrouw. Dit is niet haar dag, haar week. Ze heeft vier lichtjes aangestoken, als verwijzing naar de vierde kaars van de Advent. En een grote noveenkaars, als teken van het Licht van de wereld. De redder die geboren wordt, ook in haar hart. Ze kan weer een beetje lachen. Dan geef ik beiden de communie. Als voedsel voor de ziel.
We houden elkaars handen vast, daar in die kapel, ver weg van het rumoer van de wereld. Als ik ergens het gevoel heb dat God ons leven komt delen, dan is het hier, in deze koude kapel. In de stilte en de afzondering. Zo ga ik open voor het wonder van Kerstmis. In de bossen van Lage Vuursche, bij Maria, is God al mens geworden en is het Licht ontstoken in de stal van onze harten. Dan maakt de dochter deze foto. En we weten diep vanbinnen: laat het nu maar overal Kerstmis worden.
Leo Fijen





