Met rijke olie overgoten
Gregoriaans zingen: als iets onderlinge verbondenheid vereist, is het dat wel. Componist en koordirigent Wilko Brouwers over de noodzaak van verbinding en voortdurende vernieuwing.
Over alles is goed nagedacht en er zijn duidelijke afspraken gemaakt. Zó zal het gaan: het nationale team zal zich voorafgaand aan de wedstrijd in één linie opstellen, de armen over elkaars schouders. Dan zal het volkslied klinken. Over wat vervolgens gebeurt, zijn geen afspraken gemaakt, maar het gebeurt toch, iedere keer opnieuw. De supporters zingen in groten getale het volkslied uit volle borst mee. Er welt een emotie op waarin iedereen zich met elkaar verbonden voelt. En aan die grote verbondenheid wordt behalve kracht ook de bereidheid ontleend zich volledig voor de overwinning in te zetten. Het hele ritueel wordt groots beleefd en roept bij de aanwezigen, in ieder geval voor korte tijd, de verwachting op dat hetgeen te gebeuren staat, het alledaagse zal overtreffen.
Ook de Nationale Dodenherdenking kan als voorbeeld dienen: na de twee minuten stilte klinkt het Wilhelmus. Zowel in het gezamenlijk stil zijn als in het luisteren naar het Wilhelmus wordt verbondenheid beleefd. Verbondenheid met slachtoffers en nabestaanden. Maar groter nog: verbondenheid met alle mensen van goede wil, waar ook ter wereld. Dan keert men terug naar het gewone leven, dat echter, in ieder geval voor korte tijd, de kleur van de in het ritueel beleefde verbondenheid met zich meedraagt.
Een stem zijn
Met de zang in de liturgie is het niet anders. Zij is een onmisbaar onderdeel van een ritueel dat we nodig hebben om ons te herinneren aan onze verbondenheid met elkaar, met de Schepper en zijn schepping. Zonder die herinnering zouden we in de hectiek van alledag ten prooi kunnen vallen aan egoïsme en materialisme, aan somberheid en angsten.
In de jaren dat ik meermalen per week als zangmeester mocht werken met de cisterciënzer monniken van de Achelse Kluis, heb ik ervaren hoe het gregoriaans niet alleen het traditionele gezongen gebed is van de kloosterlingen, maar ook hun dagelijkse, ultieme oefening in broederschap. Waar alle broeders uiteenlopende persoonlijkheden en achtergronden hadden en verschillende dagtaken uitvoerden, werd in de gregoriaanse samenzang van hen verwacht dat ze zich volledig op elkaar richtten en probeerden één stem te zijn. In metrische muziek kun je het strakke metrum gehoorzamen en op die manier ook gedachteloos tot één stem komen. In het vrije ritme van het gregoriaans gaat dat niet. Hier moet je als het ware ademen en zingen met het lijf van degene die naast je staat, jezelf aan die ander overgeven. Wie van nature leider is, moet volgen. Wie geneigd is tot volgen, moet leiden. We oefenden ons voortdurend in broederschap, wetend dat we er zelden of nooit geheel in zouden slagen. Schaarse momenten waarop we ons werkelijk één voelden, werden als genade beleefd en straalden uit over een nieuwe, lange periode van zoeken en zwoegen.
Ook in andere kloosters werd ik gevraagd de gregoriaanse zang van de kloosterlingen te verbeteren. Ik had het daarbij zelden over modaliteit, semiologie of melodische restituties. Dit zijn allemaal interessante onderwerpen, maar in vrijwel alle gevallen was het niet het eventuele gebrek aan kennis hierover wat er aan de zang van de kloosterlingen ontbrak. Soms was bij de bouw van de kapel geen rekening gehouden met de akoestische eisen voor liturgische zang en ja, dan wordt het een lastig verhaal. Vaak constateerde ik bij de kloosterlingen een soort minachting voor en dus afstand van het eigen lichaam, die het zingen onnodig bemoeilijkte. En inderdaad: het besef dat de gregoriaanse zang die dagelijkse, ultieme oefening in broederschap is en de consequenties van dat besef, waren vaak uit het zicht verdwenen. Wat een feest van saamhorigheid kan het zijn wanneer de opbouw van een gezang gezamenlijk wordt beleefd en vormgegeven, en wanneer alle zangers in versnellingen en verbredingen, in articulatie en in elk detail op één spoor zitten!
Het gevaar van routine
Gedurende enkele jaren was ik jaarlijks te gast in de Saint Benedict Abbey in Still River, Massachusetts (VS), om een week lang uitgebreid met de broeders te werken. Het laat zich raden: als ik een jaar later terugkwam, moest ik weer van voor af aan beginnen. Maar sterker nog: soms hadden we gedurende enkele uren met goed resultaat gerepeteerd aan de gezangen voor het komende officie en was er tijdens dat officie niets terug te horen van onze inspanningen. Eenmaal heb ik, toen de broeders mij na afloop van de week bedankten en me lieten weten hoe ze mijn lessen hadden gewaardeerd, hen op het verkeerde been gezet door te zeggen: fijn dat jullie mijn lessen konden waarderen, maar jammer dat jullie toch liever naar Mr. D.R. luisteren.
Ze keken elkaar aan en vroegen zich af wie toch Mr. D.R. is. De volgende dag heb ik onthuld dat ik Mr. Daily Routine bedoelde, die hen steeds bij de ingang van de kapel opwacht en hen influistert dat het ook prima is als alles bij het oude blijft. Mr. D.R. is een tijdlang nog onderwerp van gesprek geweest, maar het leek me een betere oplossing om iemand te vinden die niet de oceaan hoefde over te steken en vaker met de broeders zou kunnen werken.
Mr. Daily Routine is een wereldwijd virus, dat een bedreiging vormt voor de rituelen en dus voor een bezield kloosterleven, en misschien voor een bezield leven in het algemeen. Psalm 97 zegt het zo prachtig: Cantate Domino canticum novum, Zingt voor de Heer een nieuw gezang. Ik lees hierin niet een oproep om steeds nieuwe liederen te zingen, maar om de liederen voor de Heer steeds te zingen alsof ze nieuw zijn. Om steeds terug te keren naar die grootse beleving van het ritueel. Het ritueel als het samengaan van gebaar, woord en toon als uitdrukking en directe beleving van een universele verbondenheid. Dat vergt een uiterst helder bewustzijn. Kloosterlingen worden door de Regel van Benedictus geholpen om dit bewustzijn, deze alertheid te verkrijgen en te behouden. Het oude en waardevolle herhalen, maar in die herhaling steeds nieuwe vragen stellen, steeds nieuwe ontdekkingen doen, dat is de grote kunst.
Vreugde van verbondenheid
Er is geen gezang dat de broederschap mooier bezingt dan de graduale Ecce quam bonum, voor de achtentwintigste zondag door het jaar. De vreugde en weldaad van de broederschap wordt in deze psalmtekst vergeleken met het fysieke genot van met rijke olie te worden overgoten.
Terwijl ik dit alles schrijf, realiseer ik me maar al te goed dat ons, zangers, vanwege een pandemie al bijna een jaar lang het zwijgen is opgelegd. Wat betekent dat voor de rituelen van verbondenheid? Slagen we erin deze periode te beleven als uitvergrote twee minuten stilte bij de Dodenherdenking? Of als het uitblijven van het Gloria en het Alleluia in de Veertigdagentijd? Een gezamenlijk beleefde stilte die uitmondt in een uitbundige jubelzang, als hernieuwde beleving van verbondenheid?
Wilco Brouwers
in Klooster! 14 Rituelen
Wilko Brouwers is componist en koordirigent. Hij gaf jarenlang les tijdens het Sacred Music Colloquium, georganiseerd door de Church Music Association of America, is oprichter van de Gregoriaanse Kring en bestuurslid van de Stichting Amici Cantus Gregoriani. www.wilkobrouwers.nl.





