Wekelijks leest de gemeenschap Ad Montem samen met de monniken van Schiermonnikoog en zr. Rebecca van de Clarissen in Megen een spreuk uit de woestijnvader traditie en bespreekt deze.
Tekst van een woestijnvader:
Abba Pastor zei: De deugd van een monnik blijkt pas als hij bekoord wordt.
Impressie van het gesprek:
Te oordelen naar de manier waarop de woorden deugd en bekoringen in deze spreuk geplaatst zijn, lijkt het alsof ze in ons leven elkaars tegenpolen vormen, alsof ze water en olie zijn die van elkaar gescheiden blijven. In ons denken zijn het tegengestelden. Ze zijn van elkaar gescheiden en moeten gescheiden blijven. Maar voor de abba die hier spreekt, heeft de wijsheid van het leven in de woestijn een andere waarheid onthuld. In die ondraaglijke wildernis en leegte, die het onvermijdelijk maakt dat je jezelf en je eigen chaos onder ogen moet zien, zijn bekoringen altijd aanwezig als de gemakkelijke uitweg uit de dagelijkse strijd van de monnik. Je kunt niet zonder bekoringen in de woestijn leven.
Door ervaring ontdekt abba Pastor dat bekoringen bij het leven horen. Ze maken er integraal deel van uit en zonder hen kan de realiteit van de deugd niet naar voren komen, net zoals je het contrast van de duisternis nodig hebt om te begrijpen wat licht werkelijk betekent.
De spreuk van abba Pastor doet ons (opnieuw) nadenken over de zin van het leven. We leven alsof alles erom draait onze eigen doelen te bereiken en we hebben er grote moeite mee als dingen anders gaan dan verwacht. In werkelijkheid gaat het er in ons leven niet om dat we met alle mogelijke middelen zoeken om ons kortstondige ideaal van geluk te verwezenlijken, maar om zelf omgevormd te worden. Het leven stelt ons voortdurend op de proef, het dwingt ons steeds opnieuw onze demonen onder ogen te zien. Het leven is een veld van tarwe en onkruid die samen opgroeien. Het gaat dus om een proces van groei en wij moeten steeds opnieuw op de proef gesteld worden om te kunnen groeien. Het leven voltrekt zich niet volgens rechte lijnen, maar omvat heel ons bestaan. Alles geeft erin zijn plaats, inclusief het onkruid, en alles is gemaakt om ons een spiegel voor te houden. Alles leidt ons voort naar een werkelijkheid die ons kleine ik overstijgt: Gods werkelijkheid en de plaats waar wij ons in die werkelijkheid bevinden.
Keerpunt in ons bestaan is het ontwakend besef dat we niet alleen zijn en dat we een goddelijke Vader hebben. Dat is het beslissende moment waarop we de bittere waarheid beseffen dat we verloren zonen en dochters zijn die onze goddelijke Vader hebben achtergelaten om zelf op avontuur te gaan en het leven in eigen hand te nemen. Maar door die lange reis ver van onze oorsprong vandaan, hebben we alles verloren, inclusief onszelf, omdat we wie we zijn hebben ingeruild voor iets dat onze honger en dorst nooit kan stillen. We maken dan van ons leven dat wezenlijk een geschenk is een ruilmiddel en zien het niet meer als een ruimte van omvorming. Dit is wat er gebeurt als we toegeven aan de bekoringen: we verkopen onze vrijheid als kinderen van God voor een moment van denkbeeldig geluk.
Alles wat niet God is kan bekoring worden wanneer het een afgod in ons leven wordt, een doel op zichzelf los van God. Zij doet ons vergeten dat we helemaal en absoluut God toebehoren en dat we Gods beeld zijn.
Luisterend naar Gods stem of de stem van een vreemdeling, draait het altijd om de levende herinnering van wie we werkelijk zijn, van onze goddelijke identiteit. Het leven is precies de inoefening van en de terugkeer naar deze identiteit in iedere situatie die zich aan ons voordoet. Het draait niet zozeer om concrete gebeurtenissen, maar om de manier waarop we op al deze gebeurtenissen reageren. Deze voortdurende terugkeer naar wie we zijn brengt ons precies bij de betekenis van de deugd. Zeker, wij handelen niet altijd vanuit onze goddelijke identiteit. Soms raken we de weg kwijt en dwalen we af, vallen ten prooi aan bekoringen, maar deze kunnen tegelijk ook onze leraren worden en ons in onze verlorenheid terugwijzen naar waar we thuishoren. We zijn verloren kinderen, maar wel geliefde verloren kinderen. Wat we ook doen, het kan de liefde van onze Vader niet ongedaan maken. Hij bemint ons omdat hij Liefde is. Deze onbegrijpelijke liefde zal altijd het oriëntatiepunt zijn om naar terug te keren als we de weg in ons leven even kwijt zijn.
Tekst met toestemming overgenomen uit nieuwsbrief Ad Montem
Foto: Wind Caves at Anza-Borrego Desert State Park, Wikimedia Commons





