Op 23 april 2024 overleed Henk Jongerius, dominicaan in Huissen. In 2022 publiceerde Klooster! 20 een gesprek van Maria van Mierlo met hem in het themanummer Zingen. Een gesprek met een pater die zich troubadour voelde, over wat liturgisch zingen nu werkelijk is. En over Schubert.
Henk Jongerius over een leven vol liederen: ‘Zingend sta ik in het mysterie van het leven’
Componist Bernard Huijbers1 heeft ooit gezegd: “Je kunt pas Nederlandstalig zingen in de liturgie, als je het gregoriaans hebt gezongen.” En dat vond ik een hele mooie opmerking. Daar heb ik over nagedacht en ik begrijp het. Ik herken me er ook in. Kijk, het gregoriaans is een wijze van zingen die alle aandacht geeft aan de tekst. Alle zang is onderworpen, onderhorig aan de tekst. Ook de versieringen, et cetera. Die gelijkwaardigheid van melodie en tekst, dat heeft me altijd aangesproken. Jan Raas, de componist die ik leerde kennen via uitgeverij Gooi en Sticht, is in dezelfde school groot geworden. Hij heeft melodieën gemaakt op teksten van mij die volstrekt beantwoorden aan het idee van dat soort zingen. Ze zijn ook bijna gregoriaans van tonaliteit. Ze onderstrepen de woorden en daarom zing je ze zo makkelijk. En dat vind ik dus eigenlijk het beste materiaal dat er is binnen de context van de verhouding woord-toon. Als iemand zegt: “Deze tekst kun je ook mooi zingen op Licht dat ons aanstoot”, dan denk ik: er is iets mis. Want deze tekst kan alleen maar bij deze melodie. Daar heb ik het over.’
‘In mijn begintijd heb ik wel teksten geschreven op bestaande melodieën, onder andere die van Engelse hymnen en psalmen. Later, toen ik Jan Raas had leren kennen, kon ik vasthouden aan die eenheid van woord en melodie. Ik heb wel eens verzoeken gekregen, van protestante kerkgemeenschappen met name, of een lied van mij ook op een andere melodie gezongen mocht worden. Dat heb ik altijd geweigerd. Er is een eenheid tussen tekst en melodie en daar moet je niet aankomen. Dat is herrie schoppen in een goed huwelijk.’
Een groter geheel
‘Het zegt misschien over mij dat ik ook zelf op zoek ben naar die harmonie. Niet dat die er altijd is in mijn leven. Er is ook wel eens ruzie of onenigheid, zoals toen met de jonge broeders hier in huis. Ik was het hartgrondig oneens met hun opvattingen over liturgie. Dus je kunt er wel naar streven, maar het lukt niet altijd om in harmonie met de mensen te zijn. Soms zijn dingen niet op te lossen en dan hebben we te accepteren dat het is zoals het is. En ja, soms doet dat pijn. Maar als iets pijnlijk is, dan komt er genoeg daarvan weer terug in de psalmen; daar stikt het ook van de vijanden en oorlog en wapens. Het is wel jammer, natuurlijk, daar ben ik eerlijk in. Ik draag de pijn over de onenigheid met me mee, want ik leef liever in harmonie. Maar ik wil me eroverheen zetten. In de liturgie, tijdens het zingen, is het niet aan de orde. Enigszins ruw gezegd: het is niet interessant wie er in de kerk zit. Ik kom er niet voor de mensen, ik kom om Gods lof te zingen. Om de Schrift te openen. Dáár kom ik voor. Dus ’s ochtends ga je er staan en dan ga je zingen. Je zingt gewoon! Of het je nu uitkomt of niet. En je zingt wat er gezongen moet worden en daardoor laat ik me vormen. Zo is het: het gezang vormt óns. De liturgie vormt óns. Niet andersom. Dát wil ik leven.’
‘Een lied is ook nooit de expressie van ‘mij’, het is ons geloof dat je probeert onder woorden te brengen. Een uitdrukking van Huub Oosterhuis hierover is: ‘Ik ben altijd kleiner dan mijn lied.’ Mooi he? Zo is het. Het lied heeft ook altijd weer zeggenschap over jou. Als het tenminste een goed lied is. Ik zoek – en misschien is dat ook wel precies wat ik zoek in het liturgische lied – ik zoek opgenomen te worden in een groter geheel. Daar wil ik in thuis zijn. En ja… zo nu en dan is dat zo, soms even. Dan zijn er opeens woorden en die hadden vandaag in mijzelf geboren kunnen worden, of op dit ogenblik.’
Ontvangen
‘Een medebroeder van mij zei ooit: “Henk, het is net alsof ik meer geloof in de Bijbel als ik die zelf hardop lees.” En dat vond ik zo’n zuivere gewaarwording. En als ik daarop doorpeins, kijk, waarom zingen we? Waarom zing je in godsnaam? Nou, zingen heeft iets te maken met: je maakt je groter. Je brengt geluid voort en daarmee is het alsof je een ruimte creëert. Maar het wonderlijke is dat het niet mijn ruimte is, maar de ruimte die ik oproep. Zingen is ook een evocatie: God kom ons te hulp, weet je wel? Dat. Heer, haast u mij te helpen. En daar sta ik dan in. En daar wil ik in staan. Ook al snap ik er soms geen mieter van. Want het gaat niet om wat ik snap, maar om wat er door me heen gaat. Het is alsof het te maken heeft met levensadem. Ja, daar leef ik van, van woorden. En tegelijkertijd gaat ook weer niet om die woorden. Het is… het gaat om wat er onder woorden wordt gebrácht. Dat is toch een soort ruimte, of een soort bede van, eh: wil je me wel opvangen als ik dat allemaal zing? Of: ja, bewaar me maar bij deze woorden. Het is goed zo.’
‘Liturgisch zingen is nooit: hoor eens hoe mooi ik kan zingen. Maar het is altijd: luisterend zingen, of ‘je te binnen zingen’, zoals Willem Barnard het ooit noem- de. Hij koppelde daar de gedachte aan dat liturgie gedachtenis is. Dus je brengt je te binnen, telkens opnieuw breng je je te binnen hoe dat gaat. Hoe God dat doet met mensen. En hoe mensen met God omgaan. En dan staan in dat mysterie en in het leven. En dat geeft, als je het goed wilt horen, een ingetogen wijze van zingen. Je her-in-nert je. Dat vind ik een hele, hele belangrijke gedachte als het gaat over, laat ik zeggen het getijdengebed.’
‘Tom Naastepad die heeft ooit eens gezegd: “Je moet de psalmen kauwen, als een koe. Alsmaar herkauwen, tot het eigenlijke sap van die woorden jou bereikt.” Daar zit natuurlijk dezelfde gedachte achter. Dus liturgie vieren en zeker het getijdengebed zingen, dat is gedachtenis. Dat is je te binnen brengen van – daar heb je het weer – van hoe God dat doet. En soms komt je dat niet uit. Want het is niet altijd een prettige God. Zoals het leven ook niet altijd prettig is, hè. Het komt zoals het komt. En je leert met name in die psalmen dat het in alle levensomstandigheden mogelijk moet zijn om de naam van God te noemen. Die speelt daar altijd. Soms als de grote afwezige, soms als degene die jou vervult, soms als iemand die ontzettend dichtbij is, als een schaduw naast je.’
Drinken en doen
‘Dus dat vieren en dat zingen heeft dat naar binnen drinkende, ontvangende karakter. En daarom is het mooi. Het is het meest wezenlijke van de liturgische zang, die daardoor ook een bepaald karakter heeft. Het is eerder ontvangen dan geven of presteren. Ik ben daarom ook niet zo gesteld op alleluja-gelovigen. Weet je wel, dat extatische. Er zijn gezangen die ik niet geschikt acht voor de liturgie, omdat ze te veel naar buiten gericht zijn, of te veel triomfalistische accenten leggen. Aan u, o Koning der eeuwen, weet je wel, dat. Vreselijk. Dit is de allerdiepste intentie van het liturgische zingen: ontvangen. En of ik nu, door te ontvangen, zelf weer iets geef, dat is niet aan mij. Het leven gebeurt. En als dat gebeurt, gaat alles als vanzelf, dan kloppen de dingen en hangt alles samen.’
‘Het liturgisch zingen is geen prestatie, het is eerder alsof er in jou gezongen wordt. Ja, en dat laat je maar begaan. Je kunt het niet bewerkstelligen. Je moet het gewoon maar doen. Dit is het ‘doen’ dat Jezus bedoelt als Hij zegt: “Doe dat en je zult leven.” Dát bedoel ik. Dus je moet die psalmen dóen. Niet over redekavelen. Gewoon knabbelen. En dan merk je wel wat het doet, daar wil ik op wijzen. En je hoopt natuurlijk dat iets van het gelovig besef dat daar onder woorden gebracht wordt, dat dat jouw deel wordt. In het abdijboek staat bij psalm 146 de antifoon: Een loflied voor de heer heel mijn leven / Een psalm tot het laatst voor mijn God. En ja, dat vind ik prachtig, daar laat ik me gewoon door dragen. Door die eeuwenoude woorden. Soms is het goed om te beseffen dat die psalmen oer- en oeroud zijn. En daar wordt leven in onder woorden gebracht, dat is wel even wat anders dan een liedje van de straat hoor.’
De troubadour
Toen ik zeventig werd, kreeg ik van Oosterhuis een felicitatie. Met de hand geschreven, een bewerking van psalm 101: “En dan weer zingen, zo zacht mogelijk.” Oehh. En daar had hij onder geschreven: Voor Henk, 70, bondgenoot. En dat, dat heb ik eigenlijk altijd het mooiste cadeau gevonden dat ik gekregen heb. Om zó’n waardering he. Dat is niet gebruikelijk onder dichters, het heeft me zeer ontroerd. Zelf ben ik eens op Lenny Kuhr afgestapt, na afloop van een concert en heb ik gezegd: “Ik wil je nog bedanken voor De Troubadour.” Dat lied van haar is altijd met me meegegaan. Hij zong voor groot en klein publiek, hij kon het maar niet laten… dat is toch… nou ja, dat hele lied is zó’n verwoording van wie ik zelf wil zijn, het heeft altijd een rol gespeeld in mijn leven. Martinus Nijhoff heeft ook een prachtig gedicht geschreven over de troubadour.
‘Het is natuurlijk de bedoeling dat het hier in Huissen, als wij er niet meer zijn, toch door kan gaan. Mede daarom zingen we de psalmen nu in de nieuwe vertaling van de NBV. De antifonen in het abdijboek, die zijn prachtig. Dat hebben de monniken en de monialen voortreffelijk gedaan. Die lof blijft. Maar het belangrijkste voordeel van de nieuwe berijming is dat er een heldere taal is gecreëerd. Die soms niet zo mooi is als we in de vertaling van Gerhardt en Van der Zeijde hadden – en die was me lief geworden – maar ik vind het wel poëtisch en ik merk dat ik ze, nu we de antifonen min of meer beheersen, met liefde zing. Het poëtisch karakter is wel anders. Het is wat directer. Maar de vele gasten die wij hier hebben, lopen nu de kans iets meer te begrijpen van die Bijbelse taal. En dat vind ik dan een voordeel. En dan moet je ook, eh, een beetje mensmoe- dig kiezen. Dus ik zit nou verder niet te zeuren over dat het vroeger allemaal zo mooi was. Alles bij elkaar ben ik gelukkig met deze keuze. Als wij er dan niet meer zijn, kan het dan toch doorgaan.’
Zie je wel
‘Vanmorgen na de lauden, ik deed mijn habijt uit, ik was een beetje bezig met dit gesprek, toen klonk uit de radio Schubert. Ja, dan ben ik vertrokken hoor. Ik vroeg me af: waarom houd ik toch zo van Schubert? En ik dacht: omdat hij de vervoering kent, maar altijd met zijn voeten op de grond blijft. En hij is verliefd op een melodie en die kan hij niet loslaten. En dat vind ik zo mooi, zo prachtig. Een groot componist hoor. En het moet een beminnelijk mens geweest zijn. Dat kan niet anders. Zo teer, wat hij in zijn pianostukken laat horen vind ik zo prachtig. Maar ook zijn strijkkwartetten… ja, mooi, mooi, mooi. Als ik ooit doodga, en ik kom in het hemels paradijs, dan ga ik eerst naar Schubert, om hem te bedanken voor alle emotie en schoonheid die hij in mij heeft wakker gemaakt. Nu ik ouder word denk ik wel eens aan de dood ja, die komt natuurlijk dichterbij. En dat is goed. Ik kom er nu achter dat ik altijd met een kinderlijk vertrouwen heb geleefd, want ik schrik er niet van, ben niet bang. En ik heb veel liefde ondervonden in mijn leven. Dat draagt je. In de brief van Johannes staat dat wij God zullen zien van aangezicht tot aangezicht. En ik heb me naar aanleiding daarvan wel eens laten ontvallen, dat we dan zullen zeggen: “Zie je wel, ik wist het wel. Ik wist wel dat Jij het was.”’
Tekst : Maria van Mierlo
Foto’s: Gerard Oonk





