Uit Klooster! nr.8 Eenvoud – ‘De eenvoud heeft hier een andere kleur gekregen’

Interview met Abt Alveric Bruschke osco

‘Wacht, ik steek even een kaarsje op.’ Broeder Alberic Bruschke, abt van de cisterciënzer broeders op Schiermonnikoog, verdwijnt uit het vertrek, dat nog vol verhuisdozen staat. Niet veel later torst hij een koperen kandelaar van een halve meter hoog naar binnen, met daarop een kaars zo groot als een tafelpootje. Niet zonder gevoel voor humor: ‘De waxinelichtjes zijn op.’ Een mooiere metafoor voor het gesprek dat volgt is nauwelijks denkbaar. Stille, bijna kleine woorden worden het, over iets wat onzegbaar groot blijkt te zijn. Eenvoud op een waddeneiland.

Voor mij is het eenvoudig – eenvoud is: de Godsrelatie. God en ik. Dat is de werkelijkheid waarin ik leef. Dat is de eenvoud. En daarbij te blijven, dat kun je de ware eenvoud noemen. Maar dit ‘God en ik’ is een verborgen werkelijkheid, waar niemand iets van kan zien. In feite is er ook niets van mede te delen, het is totaal iets tussen God en mij. Het geldt voor iedereen, het is een werkelijkheid waar ieder mens in leeft. Dat schept een band met elke medemens.’

‘Deze eenvoud is de bron van waaruit alles komt en de plaats waar alles naar toe gaat. Het komt van God en het gaat naar God. Wat ik merk: als ik in die eenvoud sta en leef, in die verborgen eenvoud, dan is er ook verbondenheid alom, dan valt alles samen, dan voel ik me verbonden met iedereen. Ineens ontstaan er, als het ware uit het niets, contacten. Stel je voor dat we dit gesprek begonnen waren met stilte, gesloten ogen, gebed; als je daarna begint te praten en van daaruit contact maakt, vallen er een hoop onderwerpen af. Woorden zijn dan niet meer nodig. Ook de relatie wordt dan eenvoud.’

De eerste kleur
‘Eenvoud was altijd het meest kenmerkende van Sion. In alle gesprekken vroeger, als men het over Sion had, dan ging het maar over één ding: Sion, Diepenveen, dat was de eenvoud. Het zat vanaf het begin van ons bestaan in ons DNA. In onze begintijd, we waren toen nog een priorij, was dom Jacobus Fokkes 36 jaar lang prior. Hij was supereenvoudig. Dat wil zeggen: naast het koorgebed en de liturgie baden de broeders van toen alleen de kruisweg en de rozenkrans en ze lazen de Navolging van Christus, van Thomas van Kempen. Dat was het hele bereik van de spiritualiteit destijds. Zelfs het koorgebed was armzalig. We stonden bekend om onze koorzang, maar bepaald niet in positieve zin, haha. Er is zelfs wel eens iemand weggegaan omdat hij het niet kon verdragen. Toch was Fokkes, naast zijn gestrengheid, een warme, hartelijke, supereenvoudige man. Er werd altijd met veel liefde over hem gesproken. Na hem veranderde er veel, Sion werd groter, we werden abdij, er kwam een grote bibliotheek, maar de eenvoud van dom Jacobus… tja, de eerste kleur gaat er nooit meer uit, dat is altijd gebleven. Het was ook bekend, de novicen van Diepenveen waren andere jongens dan de anderen tijdens de noviceweek, dat voelde je meteen. Er werd altijd wat lacherig over gedaan.’

‘Enerzijds is dat allemaal prachtig, maar het had ook iets schamels, want niet iedereen kon daarin bloeien. Er zijn ook mensen geweest die daardoor niet tot hun recht kwamen, dat is niet goed. Het was destijds: je komt binnen, je laat je naam achter, al je bezittingen, je hele zelf laat je achter voor de poort van het klooster. Het idee is wel duidelijk, maar het werkte niet altijd even goed. Want wat er voor de poort werd achtergelaten, kwam vaak toch nog wel binnengeslopen. De aap kwam dan alsnog uit de mouw, zogezegd. Zelfs dom Jacobus behield zijn streken, van hem is bijvoorbeeld bekend dat hij regelrecht naar de slager ging om worst te kopen als hij even de deur uit moest. Buitenshuis, als je op reis was, mocht je wel vlees eten namelijk. Ik vond het vreselijk toen ik dat voor het eerst hoorde, nu kan ik erom glimlachen. Het laat zien dat we mensen zijn.’

Optimaal monnik zijn
‘Het sterven aan jezelf werd op een andere manier beleefd dan we nu doen. Nu is het: je zit in de kring, letterlijk, en je brengt jezelf in, met alles wat je bent. En je bent je ervan bewust dat je niet de enige bent. Dat jij niet het laatste woord hebt, maar dat je een stem bent in de kring van allen. Dat vraagt volle bereidheid om jezelf los te laten. Zo ging het ook in het hele proces van de verhuizing. Op de agenda stond: hoe kunnen we optimaal monnik zijn, vandaag. Die vraag is natuurlijk van alle tijden. Toen wij onszelf die vraag stelden, lieten we eerst een rapport schrijven door twee deskundigen. Dat liet aan duidelijkheid niets te wensen over. De eerste indruk was prachtig, maar de rest van het verhaal was een filering van het hele abdijcomplex. Onze ecologische voetstap was gigantisch, er was de naderende zorg voor de ouderen, de toekomstmogelijkheden, de financiën. De uitkomst was eigenlijk: hier valt niets van te maken. Je kunt niet een hoekje voor jezelf inruimen en dan de rest verhuren. Dan word je een bezienswaardigheid in je eigen abdij. Nu, en zo is het verder gegaan. Niet: ik wil hier weg, maar: er is hier geen toekomst. Kijk dat aan. Vertrouw op God. En doe dan wat de realiteit vraagt. We hadden het wel kunnen rekken tot onze laatste ademtocht, maar dan kun je je afvragen: heb je wel een monastiek leven geleefd, of heb je tijdgerekt tot de dood? Voor mij is het antwoord wel duidelijk.’

‘Het was onvermijdelijk, maar het was wel een verscheurend proces. Het heeft ons mensen gekost, sommigen zijn weggegaan, vier van ons zijn naar Westmalle gegaan uit eigen beweging. Een van onze broeders is daar inmiddels gestorven. Van de andere drie wil de jongste zeker hiernaartoe komen, en hoewel de twee ouderen ginds goed worden verzorgd, willen ook zij zich wellicht weer bij ons voegen.’

‘Het is niet dat ik het ermee wil vergelijken, maar het proces deed me wel eens denken aan het begin van onze orde. De cisterciënzers zijn ontstaan doordat een abt met twintig broeders wegtrok uit zijn abdij. Na een jaar moest hij weer terug en de acht die in het bos achterbleven belandden in de grootste eenvoud van leven die je je kunt bedenken. Maar God was er, de woestijnspiritualiteit was er, en ieders relatie tot God was er. Het is zoeken geweest naar een leven dat die relatie zo goed mogelijk waarborgde. En dat is ook bij ons gebeurd. Het hele traject van Diepenveen naar hier, we zijn er niet zonder kleerscheuren vanaf gekomen en dat is dan nog een eufemisme, maar het is allesbepalend geweest. Tegelijkertijd is de eenvoud van Fokkes gebleven, de kleur van het eerste begin.’

Eenvoud komt tot bloei
‘Het is een eenvoud die ik ook in de gemeenschap ervaar. We zijn een eenvoudige broederschap, vier broeders nu. Het schept veel mogelijkheden, zo klein zijn. Door zo drie jaar lang met z’n vieren het leven te delen, zak je onwillekeurig af naar een dieper niveau. Ik kan het niet goed met iets anders vergelijken, maar wat hier gebeurd is, heeft duidelijk te maken met het leven in een kleine groep. Niet zozeer omdat je elkaar niet kunt ontlopen, maar juist omdat je gewoon bij elkaar bent. Je bént bij elkaar. Gemeenschap ontstaat doordat iedere broeder op zijn eigen manier in God staat, van daaruit spreekt, zichzelf inbrengt. Dat geeft grote rijkdom, maar ook grote eenvoud. Omdat je voelt: het wordt gedragen door die Ene. Tegelijkertijd bid je zeven keer dag, als het ware steeds vanuit die relatie die we allen hebben met God. Het hele proces, het vertrek vanuit Diepenveen, ging ‘van God uit’, dit werd van ons gevraagd. En dat is hier op een stille manier doorgegaan. Dat is de eenvoud van het leven hier op Schiermonnikoog.’

‘De eenvoud is hier tot bloei gekomen. Als ik terugdenk aan Diepenveen, het gebouw, de architectuur, alles was erop gericht je jezelf te laten vergeten. Je kunt er geen mens zijn. Het raakt me, nu ik het zeg. ‘Jezelf kunnen zijn’ is vaak moeilijk in die oude, immense gebouwen. Ik merk dat we hier, juist omdat we in een bijna gewoon huis leven waar ieder zijn eigen kamers heeft, gewoon kunnen zijn. Men is er nu gewoon. Het is bijna een gezinssituatie, een klein huis, een kleine groep, het mens zijn van ieder komt hier veel meer tot zijn recht. Dat is heel duidelijk gebeurd. Iedere broeder is opengebloeid tot wie hij moest zijn. Totaal opengebloeid. Ikzelf ook. Het eerste half jaar voelde het benauwd en was het nog wennen om zo dicht op elkaar te zitten, maar vanaf een gegeven moment voelde ik me op mijn gemak bij mezelf en bij anderen. Dat is een cadeau. Het nieuwe klooster waar we nu naar toe gaan is veel groter dan dit huis, maar klein genoeg om dit leven zo voort te zetten.’

‘We hebben nog steeds maandelijks een gesprek onder begeleiding, daar zijn we mee begonnen in het voortraject van de verhuizing en we doen het nog steeds. Het houdt ons in contact met het hele proces, onze verbondenheid met God en elkaar wordt uitgezuiverd en uitgediept. Op het wekelijks kapittel, wat ei- genlijk een toespraakje is van de abt, bespreken we nu de Regel van Benedictus. Vroeger kwam ik dan met drie A4’tjes over twee zinnen uit de Regel naar het kapittel, nu zitten we gewoon rond de tafel. We spreken uit het hoofd. Stellen onszelf vragen als: waar gaat het over? Wat staat daar volgens jou? Wat betekent dat voor jou? Nou ja, dat soort dingen. Het komt veel dichterbij dan vroeger. Bij het hoofdstuk over de abt heb ik hem nog wel even geknepen. Maar het mooie is: iedereen heeft een totaal eigen inbreng. Bij elkaar is het een boeket. En we voelen allemaal: als er eentje ontbreekt zou het een gemis zijn. Er is nog steeds de eenvoud. Maar de eenvoud heeft een andere kleur gekregen.’

Het grote ga nu maar
‘De eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van leven zijn veranderd. In de maatschappij en dus ook in kloosters. Fundamenteel verandert er niets, alleen de kleur verandert. Het gaat er niet om dat je een bijdrage levert aan het klooster, het gaat er niet om een naadloos georganiseerde groep op te bouwen die helemaal in harmonie en vrede leeft en weet ik veel wat nog meer. Juist nu, met volledige inbreng van jezelf, gaat het er in jouw leven om dat je de verborgen omgang met God werkelijk aangaat. En om dat aan te kunnen is het nodig dat je je veilig voelt. Zoals een moeder haar kind leert lopen en het kind zich overgeeft, zo leren wij onszelf toevertrouwen aan de eenzaamheid, die ook een kant is van de eenvoud. Je hebt warmte nodig om de eenzaamheid werkelijk in te kunnen gaan. Warmte, veiligheid, gedragen worden, je gedragen voelen, van elkaar weten we zijn er voor elkaar, dat er onderling vertrouwen is, dwars door alle stoorzenders heen; dat zijn voorwaarden voor een eenvoudig leven. Om echt af te dalen, om het te kunnen, te durven, te dóen, is ontspanning nodig. Ontspanning… om in die ultieme spanning te gaan staan. En als je daarna weer boven komt, ben je gezalfd, in plaats van dat je met een schrale huid rondloopt.’

‘Het is ook mijn persoonlijke verhaal. Mijn hele jeugd lang heb ik een groot verlangen gekend naar ‘alleen zijn met God’. Nu is mijn opdracht juist tegenovergesteld. God is er. Dat weet ik. Maar ik moet nu vanuit God het leven ingaan, als het ware alsof God er niet is. Dit is wat ik aan het begin bedoelde met: leven vanuit God, vanuit de relatie met hem. Het is de ware eenvoud, die pas mogelijk is als alles op zijn plaats is gevallen, als men zich veilig weet in het leven, bij de anderen en bij God. Het voelt nog wel spannend soms, om het te durven. Maar God is de rugdekking. Het leven is veilig en warm geworden, het mag nu, en ik durf het nu. En ineens is er dan dat grote ga nu maar. En dus ga ik. Dat is mijn weg.’

Uit Klooster! 8 Eenvoud, 2019

Tekst: Maria van Mierlo
Foto: Rogier Veldman Photography

Boeken