Schriftlezing: Matteüs 28,1-10
In de Paaswake, liturgisch de mooiste viering in het hele jaar, gaat de evangelielezing van Matteüs verder waar die op Palmzondag was geëindigd. In kerken waar de rooms-katholieke Paaswake, het prachtige hoogtepunt van het hele liturgisch jaar, volledig gevierd wordt, kunt u vanavond maar liefst negen Schriftlezingen horen: zeven uit de Hebreeuwse Bijbel (het Oude Testament dus), een uit de Romeinenbrief van Paulus en dan de evangelielezing. In de zeven lezingen uit het Oude Testament mag gekort worden, maar drie dienen er toch minimaal over te blijven. De eerste acht lezingen zijn elk jaar dezelfde, de evangelielezing wisselt volgens de driejarencyclus, en omdat we nu in jaar A zitten, lezen we dit jaar het Paasevangelie volgens Matteüs.
Drie vrouwen gaan bij het aanbreken van de eerste dag (de zondag) op weg naar het graf om het lichaam van Jezus te balsemen. Dat mag op de sabbat niet, en daarom moeten ze wachten tot die voorbij is. Ze hebben geurige kruiden, ἀρώματα, gekocht om Hem te zalven. Bij Marcus zijn het Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus, en Salomé. Zij waren ook bij de kruisiging aanwezig (Marcus 15,40), en daar werd de tweede Maria uitgebreider voorgesteld: Maria de moeder van Jakobus de jongere en van Joses. Zij waren, zo lezen we daar, volgelingen van Jezus die Hem al in Galilea hadden gediend en met Hem mee waren getrokken. Matteüs meldt vandaag alleen dat Maria van Magdala ‘met de andere Maria’ naar het graf ging (Matteüs 28,1), Lucas vermeldt Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus, ene Johanna ‘en nog een aantal vrouwen die hen vergezelden’ (Lucas 24,10) en Johannes noemt alleen Maria van Magdala (Johannes 20,1). Hoe het gezelschap ook was samengesteld, Maria van Magdala was er volgens alle vier de evangelisten bij. Zij is de eerste getuige van de Verrezene, de eerste apostel, de ‘apostel der apostelen’, zoals de kerkvader en Bijbelvertaler Hieronymus haar noemde. De vrouwen maken zich onderweg al zorgen over de vraag hoe ze de steen voor het graf weggerold krijgen. Een mens lijdt immers het meest van het lijden dat hij vreest. Maar als ze bij het graf komen, blijkt de steen al weggerold te zijn. En ‘het was een heel grote steen’, voegt Marcus eraan toe. Matteüs vertelt dat een engel uit de hemel afdaalde, de steen wegrolde en erop ging zitten. Alles in het verhaal lijkt de vrouwen in te halen: ze gaan vroeg in de morgen, maar de zon is al op; de steen is al weggerold; en als zij bij het graf komen, blijkt degene die ze zoeken al weg te zijn. Dat is de ultieme inhaalmanoeuvre in dit verhaal: de vrouwen verwachten een dood lichaam te vinden, maar ze zien juist een jongeman, gekleed in het wit, de kleur van het nieuwe begin, nog onbeschreven, nog onbesmet. Alles is anders dan de vrouwen hadden verwacht. Ze worden wel gerustgesteld door de boodschap van de engel, die als een refrein door de Bijbel weerklinkt en die de engel ook liet horen toen hij aan Maria, aan Jozef en aan de herders de komst van Jezus aankondigde: ‘Wees niet bevreesd’ (Μὴ φοβεῖσθε ὑμεῖς) De cirkel is rond: de dood is overwonnen, wees niet langer angstig!
Het meest bijzondere is wel: de hoofdpersoon van het evangelie is afwezig. Iemand anders doet over Hem mededelingen.
De engelachtige jongeman begint dus met eerst de geschrokken vrouwen gerust te stellen met de woorden die het refrein vormen van de hele Bijbel: wees niet bang. Eigenlijk staat er in het Grieks niet dat de vrouwen geschrokken waren, maar dat zij overdonderd waren, ἐξεθαμβήθησαν,‘stomverbaasd’ zoals de Naardense Bijbel (correcter dan de Willibrordvertaling en de NBV21) vertaalt. ‘Wees niet in de war’ is dus eerder de boodschap van de jongeman. En hij geeft de reden waarom de vrouwen niet in de war hoeven te zijn: er is gebeurd wat Jezus de Nazarener zelf steeds heeft aangekondigd, namelijk dat de Gekruisigde is opgestaan, ἠγέρθη, dat ook ‘Hij is ontwaakt’ kan betekenen (de NBV21 interpreteert hier weer vergaand met ‘Hij is opgewekt uit de dood’).
En de jongeman verbindt er een opdracht aan, een zending voor de vrouwen: ga het aan de anderen verkondigen, en ga terug naar Galilea. Want daar kwamen ze vandaan. Door Jezus ‘de Nazarener’ (Ναζαρηνὸν) te noemen, zinspeelde de jongeman al op die herkomst. Het gaat hier niet om de geografie, het gaat om de terugkeer naar het gewone leven. Daar, in het gewone leven, zul je Hem zien, zoals Hij jullie zelf heeft gezegd.
Want Hij is jullie al daarheen voorgegaan, Hij trekt al voorop, προάγει. De jongeman verwijst de vrouwen, die het dode lichaam van Jezus komen zoeken, naar elders: Hij is hier niet, Hij is ‘thuis’, in Galilea, dus in het gewone leven. En hij verwijst hen niet naar een dode, maar naar een Levende: ‘daar zullen jullie Hem zien’, ἐκεῖ αὐτὸν ὄψεσθε.
De vrouwen blijven, begrijpelijkerwijze, in verwarring. Ze vluchten weg van het graf, van deze onbegrijpelijke ervaring. Ze zijn bibberend en buiten zichzelf, dus in extase, zo staat er in het Grieks (τρόμος καὶ ἔκστασις; de NBV21 maakt er ‘angst en schrik’ van en de Willibrordvertaling ‘schrik en ontsteltenis’). En als de vrouwen dan terug rennen naar de leerlingen, dan kom Jezus hen tegemoet en Hij herhaalt weer wat de engel ook al zei: ‘Weest niet bevreesd. Gaat aan mijn broeders melden dat zij naar Galilea moeten gaan en daar zullen zij Mij zien.’
Wat een rijke, mystieke tekst: Hij, de afwezige, is aanwezig, elders, thuis, in het gewone leven. Daar gaat Hij ons voor, en aan ons de uitdaging om Hem na te volgen, het gewone leven in. Zalig Pasen!
Peter Nissen
Loslaten en groeien





